Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rok - (kledingstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rok zn. ‘kledingstuk’
Onl. rok ‘overkleed, mantel’ in Ich bim uze minen rokche geslophan ‘ik ben uit mijn mantel gekropen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. roc ‘id.’ in De gantse brodre ende sustre moten hebben witte rocke ‘de gezonde broeders en zusters moeten een wit overkleed dragen’ [1236; VMNW]; vnnl. ‘kledingstuk voor vrouwen voor over het onderlichaam’ in De Meysjes ..., ghekliedt in langhe rocken [1611; iWNT].
Mnd. rok ‘bovenkleed’; ohd. roch ‘kledingstuk’ (nhd. Rock); ofri. (h)rock ‘kledingstuk’ (nfri. rôk); oe. rocc ‘bovenkledingstuk’; on. rokkr (ontleend aan het oe. of mnd.); < pgm. *rukka- ‘kledingstuk’. Daarnaast lijkt er op grond van ohd. hrok ook een vorm pgm. *hrukka- te hebben bestaan. Uit een Frankische vorm *hrok is Oudfrans froc ‘monnikspij’ overgenomen. De verhouding tussen beide vormen *rukka- en *hrukka- is onduidelijk, hoewel ze gezien de betekenis met elkaar te maken moeten hebben.
Te verbinden met Oudiers rucht ‘kledingstuk’ (< *ruktu). Deze beperkte verspreiding lijkt op een niet-Indo-Europese oorsprong te duiden.
De rok was aanvankelijk een overkleed of mantel, gedragen door zowel mannen als vrouwen. Later vernauwde de betekenis zich tot ‘kledingstuk (i.h.a. voor vrouwen) vanaf de taille naar beneden’. Dit is nu de algemene betekenis, maar daarnaast bestaat de rok voor heren nog als ‘geklede jas met weggesneden voorpanden, voor officiële gelegenheden’. Zie ook → frak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rok* [kledingstuk] {roc [kledingstuk (diverse soorten)] 1236} oudsaksisch rok, oudhoogduits roc, oudfries rokk, oudengels rocc; buiten het germ. misschien oudiers rucht [kleed]; etymologie onzeker. De uitdrukking zijn rokje omkeren [zijn gezindheid radicaal wijzigen] is ontleend aan de gewoonte van leden van met elkaar strijdende partijen hun voorkeur of afkeer in hun kleding te tonen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rok znw. m., mnl. roc m. ‘jas, mantel; vrouwenrok’, os. rok, ohd. roc (nhd. rock) m. ‘bovenkleed, jas’, ofri. rock, oe. rocc (> on. rokkr, tenzij < mnd.). — Alleen te vergelijken oiers rucht (< *ruktu) ‘tunica’ en dus een germ. kelt. woord (IEW 874). Verdere aanknopingen zijn er niet. Verwantschap met rokken is weinig waarschijnlijk.

Uit het germ. stammen mlat. roccus, ofra. roc en daarvan afgeleid norm. roquet ‘kort overkleed’, fra. rochet ‘koorhemd’, ital. rocchetto ‘koormantel’, spa. port. roquette. — Daarnaast staat een woord met hr-anlaut, vgl. os. hroc, ohd. hroch, ofri. hrokk; uit een frank. *hrōk stamt fra. froc ‘monnikspij’ (> ne. frock > nhd. frack). — Het is even bedenkelijk de beide woorden te scheiden als ze te verbinden. Kruising van rok met een woord als ohd. hregil, oe. hrœgl, ofri. hreil o. ‘kleed, gewaad’ (vHaeringen Suppl. 139) is weinig waarschijnlijk. — De etymologie met lit. svar̃kas, lett. svā̀rki mv. ‘jas, kleed’ (von Loewenthal WS 11, 58) hangt geheel in de lucht. — Even onbevredigend de verbinding met ruig (F. A. Wood Post-consonantal w 1926, 118).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rok I (kleedingstuk), mnl. roc (ck) m. “jas, mantel”, ook “vrouwenrok”. = ohd. roc (ck) m. “bovenkleed, jas” (nhd. rock), os. rok, ofri. rock, ags. rocc, on. rokkr m. “id.”, germ. *rukka-, niettegenstaande ohd., os., ofri. ook anlaut-spelling hr- voorkomt. Wsch. is ier. rucht “tunica” verwant. Dit en germ. *rukka- kunnen resp. op idg. *rug-tu- en *rug-nó- teruggaan en afleidingen zijn van een basis rug-, waarvan ook nog ier. rogait “spinrokken” en rok II, rokken. De bet. der germ. en kelt. woorden maakt voor rug- de bet. “weven, spinnen” wsch., zoodat identiteit met rug- “breken” (zie riek) minder aannemelijk is dan verwantschap met de bij werk II besproken basis (idg. rug- < wṛg-). Met ’t oog op het kelt. u-vocalisme mag aan verwantschap met rag of een deel der daar vermelde woorden niet worden gedacht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rok I. Het gaat moeilijk aan de ohd. os. ofri. spellingen met hr- geheel te desavoueren, temeer daar ofr. froc ‘monnikspij’ waarschijnlijk aan een germ. (frank.) vorm met hr- is ontleend. Toch is het niet gewenst deze hr-woorden van rok te scheiden. Berusten ze wellicht op kruising met een zinverwant woord, b.v. ohd. hregil (o.?), ags. hrægl o., ofri. hreil o. ‘kleed, gewaad’? Niet aannemelijk is in ieder geval de van hr- uitgaande combinatie van Loewenthal WuS. 11, 58 met lit. švar̃kas, gew. mv. švar̃kai ‘jas’, lett. svā̀rki mv. ‘jas, kleed’ (en gr. péskos ‘schors’ < *perkskos). — Ook de verbinding met de woordfamilie van ruig (F.A.Wood Post-consonantal w 118) is minder wsch.
Over de grondvorm *rug-nó- zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rok 1 m. (kleed), Mnl. roc, Os. roc + Ohd. rocch (Mhd. roc, Nhd. rock), Ags. rocc, Ofri. rock, On. rokkr + Oier. rucht = kleed, waarnevens rogait = spinrokken: Idg. stam rug- = weven. Hieruit Fr. rochet = koorhemd en roquet = lakeienmantel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rok (zn.) rok; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) rok, Vreugmiddelnederlands rok <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rok s.nw.
Kledingstuk vir vroue, in een stuk vanaf die skouers tot onder die heupe.
Die vorm uit Ndl. rok (Mnl. roc). Hoewel die woord al Mnl. is, het bg. bet. in Afr. self ontwikkel. Ndl. rok beteken o.a. 'kledingstuk vir vroue van die middel tot aan die knieë of laer' (1638), dus wat in Afr. deur romp aangedui word. Dit wat in Afr. deur rok aangedui word, kom die naaste ooreen met die kledingstuk wat in Ndl. deur jurk benoem word. Mnl. roc het ook beteken 'kledingstuk vir mans en vroue'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rok: vrouelyfkleed; Ndl. rok (Mnl. roc, “baadjie; mantel; vrouekleed”), Hd. rock (Os. rok, Ohd. roc, Ofri. rock, Oeng. rocc – aan Germ. tale ontln. deur Ll. en Rom. tale).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rok, waarschijnlijk van den Germ. wt. ruk = spinnen; vgl. spinrokken. Het woord bet. dus oorspr.: gesponnen kleed; vandaar dat rok zoowel een heeren- als een vrouwenkledingstuk aanduidt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rok ‘kledingstuk’ -> Engels rock ‘spinrokken’; Zweeds rock ‘lange (heren)jas, mantel’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans froc ‘pij, broek’ Frankisch; Esperanto froko ‘monnikspij’ ; Xhosa lokhwe ‘kledingstuk’ ; Indonesisch roki ‘rokkostuum voor mannen’; Indonesisch rok ‘kledingstuk van vrouwen dat van het middel tot aan de knieën of lager reikt’; Gimán rok ‘kledingstuk, rokkostuum (mannen)’; Jakartaans-Maleis rok ‘damesrok’; Javaans roki; rok ‘herenkledingstuk; damesrok, jurk, overkleed’;? Javaans éntrok ‘lijfje (vrouwenonderkleding), borstrok’; Kupang-Maleis spanrok ‘strakke rok’; Madoerees ērrok, rok ‘vrouwenrok’; Madoerees roki, ruki ‘zwarte herenrok’; Menadonees rok ‘damesrok’; Minangkabaus roki ‘herenrok’; Minangkabaus orok, rok ‘kledingstuk’; Soendanees ĕrok ‘vrouwenrok’; Soendanees roki ‘opperkleed van een man, naar Europees model’; Creools-Portugees (Batavia) rokkie ‘kledingstuk’; Negerhollands rok ‘kledingstuk’; Papiaments † rok ‘kledingstuk voor mannen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rok* kledingstuk 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

895. Het hemd is (of zit) nader dan de rok,

d.w.z. zich zelven of zijne naaste bloedverwanten moet men het eerst bedenken of, zooals men in Zuid-Nederland ook zegt: eerst oomken en dan oomkens kinderen (Schuerm. 430; Joos, 134), eene gedachte, die in zeer vele talen op soortgelijke wijze wordt uitgedrukt. Zoo vinden we bij Plautus, Trin. 1154: Tunica propior pallio est. Bij ons in de latere middeleeuwen bij Goedthals, 81: Mijn hemde gaet my naerder dan mynen rock, la chemise est plus pres que le pourpoint; in de Prov. Comm. 522: Minen rock es mi na, mer theemde naerder, est prope sed propior mea lanea linea vestis; ook bij Campen, 124; Servilius, 236*; Bebel, 286; Sart. I, 4, 40; De Brune, 369; 371; Oudemans IV, 517:

Besorcht u selven eerst, gelovet dit gewis,
Dat immer u het hembd' naer dan den mantel is.

In het Fransch: la chemise est plus proche que le pourpoint; hd. das Hemd ist mir näher als der Rock; eng. close sits my shirt, but closer my skin; near is my coat but nearer is my skin; Friesch: it himd is neijer as de rock of as 't wammis; zie verder Jongeneel, 90; Tuinman I, 297; II, 101; Harreb. I, 302 a; Nkr. VI, 11 Mei p. 2: 't Hemd zit nader dan de rok; Waasch Idiot. 284 b; Antw. Idiot. 1754: het hemdeken is nader als den rok (of als het roksken), eerst voor bloedverwanten, dan voor vreemden; Wander II, 438; 499 en vgl. Sart. I, 4, 41: myn Dye is my naerder dan myn Knie; gri. γονυ κνημης εγγιον.

1945. Zijn rokje omkeeren,

d.w.z. ombollen, ‘van gevoelen, gezindheid of partij veranderen, zoodat men datgene voorstaat waar men vroeger tegen was, of andersom, omdraaien. Ontleend aan het dragen van kleederen met verschillende kleuren of leuzen, waardoor partijen zich plachten te onderscheiden’. Vgl. no. 981; fr. tourner casaque ou jaquette; eng. to turn (one's) coat; a turn-coat; zie Ndl. Wdb. VII, 1913; X, 307; 550; Volkskunde XII, 102; Schuerm. Bijv. 151 b; 147 a: zijne kappe keeren; De Bo, 503 b: zijne kazakke keeren; Tuerlinckx, 307; Antw. Idiot. 630: kazak-keerenDit sedert de 17de eeuw; zie Ndl Wdb. VII, 1913.; Rutten, 108: kazak-draaien; Joos, 113 en Waasch Idiot. 221 a: zijnen frak keeren; Sewel, 678: Zyn rokjen omkeeren, de huik naar de wind hangen, to turn cat in pan of to be a turn coat (vgl. zuidndl kazakdraaier, -keerder); syn. van Zyn gat omsmyten, van party veranderen (fri. it gat omsmite). De uitdr. komt sedert de 16de eeuw voor; zie Ndl. Wdb. XIII, 892; Winschooten, 213: Sijn rokje keeren: en de huik naa de wind hangen; Tuinman I, 248; Spaan, 89; Van Effen, Spect. XII, 166; Harrebomée II, 226 b; Nkr. III, 18 Juli p. 6; Het Volk, 27 Dec. 1913, p. 10 k. 1: De vrijz. dem. die om de verkiezingen hun manteltje hebben omgekeerd; in Nkr. IV, 24 Juli p. 3: zijn hemd omkeeren. Syn. zijn jas omkeeren in Nkr. IX, 4 Dec. p. 7: Vader en moeder waren rooms, dus waren zij het ook, en voor iemand die ‘z'n jas omkeerde’ hadden ze een grenzelooze verachting.

1946. Een rokje uittrekken,

d.w.z. vermageren, afleggenNdl. Wdb. I, 1127.; ook: een pak uittrekken; volgens Harreb. II, 226 eig. ‘een rok magerder worden’. In de 17de eeuw van voortbrengselen: in kwaliteit verminderen; vgl. Hooft, Brieven, 208: Ons genaakendt vertrek doet ons haaken naa Dirk Haak oft yemandt van zijnent weege, om den wijn af te steeken, die, met lang wan te leggen wel eenen rok uittrekken mogt (in kracht verminderen); Halma, 541: Eenen rok of rokje uittrekken, verslappen, slegter worden, empirer, déchoir. In Kl.-Brab. zijn kazak verliezen, vermageren. Op Goeree en Overflakkee: Hij heeft een rok uitgeschoten (zie N. Taalgids XIV, 253).

2585. Zooals de wind waait, waait zijn jasje (of zijn rokje),

d.w.z. hij schikt zich naar de omstandigheden, regelt zijn politiek inzicht naar zijn belang, waait met alle winden. Vgl. Harreb. I. 357: Zoo de wind is, waait het jasje; De Arbeid, 6 Juni 1914 p. 1 k. 2: Zooals de wind waait, waait ook mijn jasje, dat is het parool van de leiders der moderne arbeidersbeweging; Het Volk, 4 Maart 1914 p. 2 k. 2: Het blijkt dus, dat deze liberale propagandist zijn publiek eerst ter dege aankijkt, voordat hij spreken gaat. Zooals de wind in de vergadering waait, schijnt zijn rokje te waaien; Ppl. 70: Zoo as de wind waait, waait d'r hoedje; Nederland, Aug. 1914, bl. 414: ‘Da's gekheid! We meenen 't allemaal goed met mefrou, maar ze het geen stuur over d'r eigen. Zooals de wind waait, waait d'r muts, zeit m'n moeder altijd; Nkr. VI, 1 Juni p. 1: Ik zeg driemaal: Zoo-de-wind-waait-waait-mijn-rokje en ziedaar, geacht publiek, mijn stem is voor; Onze Volkstaal II, 114: Zooas te wijnd waoit, waoit zijne jaas, hij hangt de huik naar den wind; Nieuwe Tijd, 4 Aug. 1917 p. 3 k. 2: Dat is nou eens echt: ‘zooals de wind waait, zoo waait mijn jasje’. Den eenen dag krijt men ons uit voor beginsellooze opportunisten en den anderen dag zijn we weer Marxisten, pur sangDe zegswijze wordt ook verlengd: Zooals de wind waait, waait mijn jasje, til je mijn hemd op, dan zie je mijn kwas(t)je.; zie no. 981.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut