Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roet - (koolstofneerslag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

roet zn. ‘koolstofneerslag’
Mnl. roet ‘vet, smeer’ [1252; Stall.], in beede sijn smere ende sijn roet es allen sieken lieden goet ‘zowel zijn smeer als zijn vet (van de vos) zijn goed voor alle zieke mensen’ [1287; VMNW], ‘koolstofneerslag’ in wint veel roedts ... in den scoorstenen ‘(rook) veroorzaakt veel roet in de schoorstenen’ [1485; MNW].
Os. hrōt ‘roet’; ohd. (h)ruoz ‘vet, roet’ (nhd. Ruß); < *hrōta- ‘vet, roet’. Daarnaast staat gelijkbetekenend pgm. *hrūma-, waaruit oe. hrūm.
Pgm. *hrōt- kan teruggaan op pie. *kreH(u)-d-, met vreemde -d-, en pgm. *hrūm- op pie. *kruH-m-. Deze vormen zijn moeilijk te verenigen in één enkele reconstructie. Vergelijking met andere woorden is dan ook zeer speculatief; meestal worden genoemd: pgm. *hurhwa- ‘vuil, drek’ (onl. horo; ohd. horo; ofri. hore; oe. horh; on. horr); en buiten het Germaans: Grieks karumón ‘het zwarte’; Sanskrit káriṣa- ‘uitwerpsel, mest’, kardama- ‘modder, vuil, mest’; Middeliers corcach ‘moeras’; bij de wortel pie. *ker- ‘vuilgrauwe kleur’ (IEW 573).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

roet* [koolstofneerslag] {roet(e), ruet(e) [vet, smeer, roet] 1287} oudsaksisch hrōt, oudhoogduits ruoz naast met m formans oudsaksisch, oudfries, oudengels hrūm, misschien verwant met oudhoogduits horo, oudengels horh, oudnoors horr [vuil].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

roet znw. o., mnl. roet o. ‘vet, smeer, roet’, os. hrōt, mnd. rōt, rūt, ohd. ruoʒ (nhd. russ) ‘roet’. — Daarnaast staan met m-formans os. ofri. oe. hrūm (ne. room). Dit voert tot een stam *hrō-, die men verbinden kan met ohd. horo, mhd. hor, hurwe ‘modder, vuil’, oe. horh, ohd. horg ‘vuil’, on. horr (< *hurhu̯az) ‘snot, vuil’. — oi. káriṣa- n. ‘uitwerpsel, mest’, kardama- m. ‘modder, vuil, mest’, gr. karumón (Hes.) ‘het zwarte’, miers corcach v. ‘moeras’, idg. wt. *ker, ḱer ‘aanduiding van vuilgrauwe kleuren’ (IEW 573).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

roet znw. o., mnl. roet o. “vet, smeer, roet”. = ohd. ruoʒ (nhd. russ) m., os. hrôt “roet”. Is wellicht ook ags. hrot o. “dikkige vloeistof” als hrôt op te vatten? Zie echter reutelen. In de bet. “vet, smeer” ook de mnl. afl. roete, ruete o. (nog dial.: Antw. ruut).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

roet. Verwanten buiten het Germ. zijn onbekend. Dat zowel roet als ags. hrûm m. ‘id.’ (ofri. het bnw. hrûmech ‘beroet’) zouden berusten op verlengingen van een idg. basis *qer- ‘zwart, donker’, die aan de bij harder Suppl. besproken woorden kan ten grondslag liggen, is een zeer vaag vermoeden.
Geheel onaannemelijk is dat roet op een of andere wijze zou vervormd zijn uit het rijmend synoniem mnl. soet (o.?) (nog zuidndl., o.), ags. sôt o. (eng. soot), on. sôt o. ‘roet’, dat evenals lit. súodžiai, súodžios mv. ‘roet’, bulg. saždy, russ. sáža ‘id.’ en — met andere vocaalphase — ier. suide ‘roet’ bij zitten (= ‘het zich vastzettende’) behoort.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

roet v., Mnl. id., Os. hrôt + Ohd. ruoʒ (Mhd. id., Nhd. rusz), Ags. hrót = vuilnis: niet verwant met zoet 2; misschien bij reutelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

root (zn.) roet; Vreugmiddelnederlands roet <1252>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

roet s.nw.
Afsetsel deur verbranding van stowwe.
Uit Ndl. roet (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

roet: swart produk v. verbranding; Ndl. roet (Mnl. roet), Hd. russ, hou misk. verb. m. Gr. karumon, “die swarte”, maar herk. en verw. onseker.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

roet* koolstofneerslag 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1944. Roet in het eten gooien of smijten,

d.w.z. iemands genot vergallen, den boel bederven. Vgl. Handelsblad, 6 Mei 1914, p. 2 k. 3 (ochtendbl.): De scheidende regeering heeft in hare verbittering over den uitslag nog wat roet in het eten gegooid voor hare onbekende opvolgers; 17 Sept. 1914, p. 2 k. 2 (ochtendbl.): De eerste nederlaag van de Oostenrijkers bij Lemberg wierp wat roet in het eten; De Telegraaf, 30 Jan. 1915 (avondbl.), p. 5 k. 6; Nederland, 1914 II, 17; S.M. II: Nu wordt 't 'n mooie boel, die leelijke rooie Haantjepik van twee hoog boven gooit roet in ons eten; De Telegraaf, 29 Nov. 1914 (ochtendbl.), p. 6 k. 6: De betonwerkers die roet kwamen strooien in de plannen gemaakt omtrent de opening; Morks Magazijn, Juli 1914, p. 46: Wel is waar mengden de anderen dikwijls roet in 't eten, maar daarin berustte hij; Het Volk, 11 Mei 1914, p. 2 k. 2: De ‘Standaard’ gooit nu een dikke bonk roet in het koalitie-eten; 29 April 1914, p. 1 k. 4: Vliegen wierp roet in 't eten van de heeren; De Arbeid, 4 Febr. 1914, p. 3 k. 2: Niets deugde dan alleen zij, die trouw het hunne hadden gedaan om geen roet in 't potje van den Zeemansbond te gooien; 25 Febr. 1914, p. 3 k. 3: Zulke dingen houdt men echter achterbaks om geen roet in het eten te werpen; 11 Juli 1914, p. 3 k. 2: Daar gooien de kiezers van V. me waarachtig roet in den sociaaldemocratischen hutspot; De Amsterdammer, 26 April 1914, p. 7 k. 5; Nkr. I, 17 Nov. p. 2: Er werd echter roet in 't eten gegooid door de hebzucht der inboorlingen; VIII, 4 April p. 4; IV, 19 Juni p. 4 (roet in de rijstenbrij gooien); Van Looy, Feesten, VI: Dat er ook altijd menschen moeten zijn die roet komen doen in het eten; Handelsblad, 15 Jan. 1922 (O), p. 7 k. 2: De griep heeft roet in het eten van de Belgische elftalcommissie geworpen; Boekenoogen, 844: er is roet in 't eten, de zaak is niet in orde, er zijn moeilijkheden; ook: er is ruzie; Afrik. dit was roet in sy kos. Syn. een haar in de boter (zie Het Volk, 5 Dec. 1913, p. 1 k. 4).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut