Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roest - (hoenderstok)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

roest2* [hoenderstok] {1287 in de betekenis ‘harde verhemelte (dak van de mond)’; de betekenis ‘hoenderstok’ 1599} oudsaksisch hrōst [daksparren], oudengels hrōst [hoenderstok] (engels roost, waarvan rooster [haan]), oudnoors, gotisch hrōt [dak].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

roest 2 znw. m. ‘hoenderstok’, mnl. roest m. o. ‘verhemelte’ (eig. ‘dak’), os. hrōst m. ‘dakgeraamte’, oe. hrōst m. (ne. roost) ‘hoenderstok’, schots roost ‘dakgeraamte’. Uitgangspunt is een vorm germ. *hrōtsta, afgeleid van *hrōta, vgl. on. hrōt o. ‘dak, dakkamer’ (poët.), nijsl. rōt v. ‘ruimte onder de dakbalken’, nnoorw. rōt ‘binnenbekleding van het dak, dakkamer’, nzw. dial. rōt ‘lat’. De oorspr. bet. is dus ‘vlechtwerk van takken’.

De etymologie is niet zeker. — 1. Bij osl. krada ‘brandstapel’, misschien ook lit. krė́slas ‘mooie stoel’, lett. krêsls, opr. creslan ‘leunstoel’, als men als grondbet. ‘vlechtwerk van latten’ mag aannemen (Bezzenberger BB 27, 1902, 170 en IEW 617); vgl. verder opr. corto ‘omheining’, miers crō ‘omheining, schuur, stal’, waarvoor zie J. Trier Holz 1952, 77. — 2. Bij nperz. sarāy ‘paleis’, arm. srah ‘erf, voorhof’ (Lidén Fschr. A. Noreen 1904, 432 vlgg. en Uhlenbeck Ts 25, 1906, 277); wegens de bet. weinig aannemelijk. — 3. Bij lit. kraũte v. ‘zolderruimte’, osl. kryti ‘bedekken’ (Trautmann, Germ. Lautges. 1906, 24); in dit geval germ. grondvorm *hrōþsta. — 4. Bij ohd. rōst m. rōsta v. ‘brandstapel, gloed’, waarvoor zie verder onder roosten. Zo N. O. Heinertz SVS Lund 7, 1927, 97 vlgg., die moet aannemen dat dit ohd. rōst eig. hrōst zou geluid hebben. Zeer onzeker, vooral in zijn verdere combinaties met hor en raat.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

roest II (hoenderstok). = mnl. roest m. o. “verhemelte” (specialiseering der bet. “dak”), os. hrôst m., schotsch roost “dakgeraamte”, ags. hrôst m. “hoenderstok” (eng. roost). De grondbet. zal wel “vlechtwerk” zijn geweest. Dan kunnen wij van idg. *qrât-s-to- of *qrôt-s-to- uitgaan en ’t woord voor verwant houden met hor. Ook zou een vorm *qrôd-s-to-, nader verwant met raat, obg. krada “brandstapel” mogelijk zijn. Gr. króssa “muurvoorsprong, tinne, trede” zal wel niet verwant wezen, eventueel wel got., on. hrôt o. “dak”, dat echter ook kan hebben en = iraansch *srâda- zijn, waarvan nperz. sarâ(y) “paleis”. In dit geval kan roef met hrôt hoogerop verwant zijn: de kortere basis ḱer- zou in oi. çárman- “schutdak, scherm, beschutting”, çaraṇá- “beschuttend, beschermend” kunnen steken. Zie nog scherm, maar ook helm I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

roosten. Op grond van een enkele maal voorkomende ohd. schrijfwijzen rohost en rhost neemt Heinertz Et. St. z. Ahd. 85 vlgg. hr- aan en verbindt dan het woord met de familie van hor, roest II, raat en harst. Om het vocalisme hiermee in overeenstemming te brengen, moeten echter zo gewaagde basis-verlengingen worden aangenomen, dat de — semantisch wel aanlokkelijke — combinatie niet te aanvaarden is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

roest 2 v. (roeststok), Mnl. id., Os. hrôst + Hgd. ruszbaum, Ags. hróst (Eng. roost), On. (h)raust (Zw. röste, De. røst) = dakgeraamte: oorspr. onzeker.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut