Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roerkruid - (plantensoort)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

roer’kruid (het), (veroud.) heester met gelede stengels, door Indianen gebruikt voor het bereiden van visvergif, nu bekend als ’koenaparoe’ (K en S) (Euphorbia cotinoides, Cassave-familie*). De derde [leverancier van visvergif] is het roerkruid (); dit behoort tot de senecioideën, heeft hartvormige bladen, en is waarschijnlijk verwant met de jatropha’s (Kappler 1854: 103; enige vindpl.). - Etym.: Veroud. AN r. = kruisbladige wolfsmelk (Euphorbia lathyrus). - Opm.: De plant hoort niet tot de ’senecioideeën’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

roerkruid: pln. (Gnaphalium luteo-album, fam. Compositae); Ndl. roerkruid (Mnl. roercruut) by Reuk e.a. vir spp. Gnaphalium; omdat dit blb. goed in moerassige grond aard, hou dit wsk. verb. m. roer III in bet. “riet”.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut