Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roerdomp - (reigersoort (Botaurus stellaris))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

roerdomp zn. ‘reigersoort (Botaurus stellaris)’
Mnl. roesdommel [1360; MNW]; vnnl. roerdomp [1567; Nomenclator], roerdomp [1637; Statenbijbel, Deuteronomium 14:17].
Waarschijnlijk ontleend aan Middelnederduits rōrdump. Het eerste lid is Middelnederduits rōr ‘riet’, dat overeenkomt met ouder Nederlands roer ‘riet’ (zie → roer 2 ‘soort geweer’). Het tweede deel is de stam van dompen ‘een dof geluid doen horen’. Het eerste lid in de Middelnederlandse vorm roesdommel betekent ook ‘riet’ en is de variant van roer zonder grammatische wisseling. Dit inheemse woord is in het grootste deel van het Nederlandse taalgebied vervangen door woorden als → riet en → lis.
Mnd. rōrdum(p) (waaruit door ontlening nzw. rördrum); ohd. rōratumbil (mhd. rôrtumel, nhd. Rohrdommel); nfri. reiddomp; nzw. rördrom.
De vogel is genoemd naar de biotoop (rietland) en de paarroep, die wel wordt vergeleken met het geluid van een misthoorn en die over grote afstand te horen is. Vooral het tweede lid heeft aanleiding gegeven tot veel volksetymologische vervormingen, zoals roesdom, roesdommer, roesdrommel. Het Nederlands heeft meer benamingen voor deze vogel gekend, zoals het aan Frans butor ontleend woord mnl. butor [1287; VMNW] (al onl. in de toenaam butorvalca [1180; ONW]) en vnnl. domphoren [1567; Nomenclator, 64b]. In de Statenbijbel komt het woord roerdomp op diverse plaatsen voor; wrsch. is het daardoor de standaardnaam voor deze vogel geworden.
Lit.: W. Sanders (1989), ‘Zum Namen der Rohrdommel’, in: W. Tauber (red.), Aspekte der Germanistik. Festschrift für H.-F. Rosenfeld, Göppingen

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

roerdomp* [vogel] {1562} (middelnederduits rōrdum(p), oudhoogduits roredumbil), van middelnederlands roer [riet, rietpijp] (vgl. roer4 [pijp]) + dommen, dompen [een dof geluid maken] (de vogel maakt een dof geluid in de paringstijd). Daarnaast middelnederlands roesdom(mel) {1360} waarbij het eerste lid = rusch [bies] (vgl. rus2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

roerdomp znw. m., sedert Kiliaen bekend, ook mnd. rōrdump, rōrdum, rōrdumpt en verwante vormen, ohd. roredumbil, mhd. rōrtumel m. (nhd. rohrdommel v.). Het 1ste lid is het woord roer 3, wat duidelijk blijkt uit oostfri. reiddump, reidump, fri. reiddomp, waarvan het 1ste lid riet is. — Het 1ste lid vertoont allerlei varianten zoals 1. laat-mnl. roesdom, roesdommel, roesdommer m., Teuth. roisdommel, 2. laatmnl. rosedrommel, nnl. dial. Kampen rōzṇdomp, achterh. roosdom, die beide kunnen teruggaan op *rausa, *rusa met gramm. wiss. naast roer; 3. ond. rar(e)dump, oe. rāredumle v., rāradumbla m.; 4. ohd. horo-tubil, -tuchil, -tumil, -tumbil m., waarvan het 1ste lid horo ‘modder’ is. — Het 2de lid in zijn verschillende vormen zal wel duiden op het doffe geluid van de vogel in de paringstijd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

roerdomp znw., sedert Kil. = mnd. rôr-dump (-dum, -dumpt) m. “roerdomp”. Vgl. ook ohd. rore-dumbil, mhd. rôr-tumel m. (nhd. rohrdommel v.). ’t Eerste lid is *rauza- “riet” (roer III), ’t tweede hoort bij dompelen resp. tuimelen: vgl. oostfri. rei(d)dump, fri. reiddomp “roerdomp”, wier 1e lid = riet is. Al deze vormen zijn wsch. jong en door volksetymologie ontstaan. Andere vormen zijn: laat-mnl. roesdom, roesdommel, roesdommer m. (oe = ô of ō: vgl. Teuth. roisdommel, laat-mnl. rosedrommel, nnl. om Kampen rōzṇdomp, achterh. roosdom), ohd. horo-tûbil, -tûchil, -tumil, -tumbil m. (horo “drek”; de vormen met horo- zijn van ouds zuiddu., de andere noordelijker), mnd. rar(e)dump m., ags. râredumle v., râradumbla m. ’t Is onzeker, in welke betrekking al die vormen tot elkaar staan en of ze uit één grondvorm, deels door vervorming, ontstaan zijn. In ’t tweede lid ziet men een nabootsing van het doffe parings-geschreeuw van den roerdomp: vgl. de eng. onomatop. namen bumble, bogdrum, bottlebump, butterbump. Nog een andere naam is butoor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

roerdomp m., Mnl. roerdommel + Ohd. roredumbil (Mhd. rôrtumel, Nhd. rohrdommel): samenst. met roer 2 = riet en een stam van dompelen. Mnl. roesdommel, Ndd. rôsdommel bevatten een bijvorm van roer 2; Ohd. horotumil = slijkduiker (horo = slijk); Ndd. rârdump, Ags. ráradumbla hebben als eerste lid den stam van Ags. rárian (Eng. to roar), Ndd. râren = brullen, slaande op het paringsgeschreeuw van den vogel.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Roerdomp Botaurus stellaris (Linnaeus: Ardea) 1758. Vrij forse, bruine Reigerachtige vogel, die in de Lage Landen inheems is en hier in dichte Rietvelden leeft. Het eerste deel van de naam betekent ook Riet Phragmites, het tweede is opgevat als een nabootsing van het geluid dat het ♂ in het voorjaar vanuit het Riet laat horen (maar dit is het misschien primair niet). Dezelfde uitleg geldt voor fries Reiddomp(er) (Reid ‘Riet’), D Rohrdommel (Rohr ‘Riet’), zweeds Rördrom en deens/noors Rørdrum. R Выпь Wyp’ vertoont alleen het geluidsnabootsende deel. Naast de officiële naam Bittern (zie sub Butoor) kent het E ook enkele (deels) onomatopoëtische volksnamen: Mire Drum, Myre Dromble, Bitter Bump. Uit de eerste volksnaam blijkt dat men in de loop der tijden soms de neiging had het tweede deel van de vogelnaam te vervormen in de richting van de naam van een muziekinstrument (E drum ‘trommel’). Een rietstengel zou ook, volgens het volksgeloof, een ‘muziekinstrument’ zijn waar de vogel op blies! Een voorbeeld hiervan is ook het in Kiliaan vermelde synoniem van Roerdomp, te weten ROERTROMPE (mnl trompe ‘bazuin, trompet’ trumba <*trumpa ‘buis, trompet’, mogelijk eveneens een klankwoord; drum, trom, trommel, tromp, trompet, trombone zijn alle sterk verwante woorden). In het It bestaan zelfs de volksnamen Trombone en Trombotto voor de Roerdomp [Wilms 960411,3; Houttuyn 1763: Trumbotto]. Ook de hoorn (als muziekinstrument) kwam aan bod: Domphoren ↑, vlaams Puithoren (ws. Basblazer [B&TS].
Vergelijkbaar qua betekenis en etymologie met het N woord zijn D Rohrdommel (dial. Rohrdummel) rôrtumel, rôrtrumel roredumbil [Wahrig; NEW], rôrodumbil, horo-tum(b)il [Mackensen 1985] en oudengels raredumle, raradumbla; hierbij kan het eerste deel slaan op oudengels *reara ‘Riet’, een verdwenen woord, maar ook ook op oudengels rārian ‘brullen’ (>E roar). Laat-mnl varianten zijn: Roesdom(mel), Rosedrommel, achterhoeks Roosdom en Rozndomp (dialect in Kampen). In Belgisch Limburg komt de inversievorm Rommeldoos voor [Tops 980507,4] = Rommeldoes in Hasselt (BL); de laatste ook in Weert (NB) [WLD]. NEW 1992 noemt een groot aantal varianten van de naam (in verschillende talen en dialecten), waarbij zowel het eerste deel van de naam een heel andere betekenis kan hebben (bijv. in ohd horo-tumbil betekent het eerste lid modder; meer hierover sub Haarsnip) als het tweede: in ohd horo-tuchil betekent het tweede deel ws. ‘duiker; meer hierover sub Duiker).
BENOEMINGSGESCHIEDENIS De naam als in het lemma staat in de Bijbel v. Deux-aes, Emden 1562 (Jes. 34:11; Lev. 11:18 (de Roerdomp mag niet gegeten worden); Deut. 14:15) (dus ws. Rôrdump) [VT 2000]. In de oorspr. hebreeuwse en/of aramese tekst heeft een woord gestaan dat met ‘Pelikaan’ had vertaald moeten worden [Gerdien Groenendijk 030630]. Volgens 9e en 10e-eeuwse glossen zou er in het Lat onocrotalus hebben gestaan; ook dit is het woord voor ‘Pelikaan’. In Kiliaan 1599 en in de VK c.1618 als volgt: “ROER-DOMP. Onocrotalus. sax. ROER-DOMP, ROER-TROMPE. sax. Ardea stellaris ... sax. rohrdump.” Van toen >zuidafrikaans Roerdomp. Houttuyn 1763 vermeldt: “Butoor of Roerdomp.” (marge van p.211). Bij JvM c.1266 staat alléén: “... butor in Dietsche ...” – In het mnl (tussen 1100 en 1500) is Domphoren opgetekend [MH 1932].
ETYMOLOGIE N/mnl roer (= Riet, rietpijp, rietpijl, kort geweer) ~D Rohr (= Riet) rôr [VT]; gotisch raus ‘Riet’; idg wortel *reus- ‘zich heftig bewegen’. Voor het verwante Riet zie sub Rietgans.
Het woorddeel -domp wordt door NEW 1992 in verband gebracht met het doffe geluid van de vogel in de paringstijd, en vDE brengt het in verband met de mnl werkwoorden dommen en dompen ‘dreunen, een dof geluid maken; ook: donderen’. Ongetwijfeld zal het geluidsaspect meegespeeld hebben, maar N Roerdomp, mnd Rôrdump, ohd horotûbil, rôrodumbil en oudengels raredumle kunnen het mooist onder één noemer gebracht worden door uit te gaan van het ww. dompen in de betekenis van ‘(doen) duikelen’ of mnd dumpeln ‘onderduiken’, grondvorm *dumpa (vgl. sub Dompelaar). De betekenis van de vogelnaam is dan: ‘riet-duiker’1, te interpreteren tot het kernachtige ‘vogel die in Rietvelden onderduikt’. Hierop zou D horo-tuchil2 dan aardig aansluiten, want -tuchil betekent ook ‘duiker’ (zie sub Duiker). Aangezien horo- ‘moerassige plaats’ kan betekenen, staat er (weer): ‘vogel die in moerassige gebieden onderduikt, daar zijn verborgen bestaan leidt’.

==

1 Rietduiker is een in Midden-Limburg voorkomende naam voor de Roerdomp [WLD].

2 Nog in beiers Hortyhel [Houttuyn 1763; Wüst 1970].

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

ROERDOMPBotaurus stellaris
Duits Rohrdommel
Engels Bittern
Frans Butor étoilé
Fries Reiddomp
Betekenis wetenschappelijke naam: gesterde vogel die bulkt als een stier. De naam Roerdomp is gevormd uit roer = riet, pijp, en uit een klanknabootsend woord dat het doffe geluid van het mannetje weergeeft. Men heeft daar verscheidene benamingen voor: balderen, blazen, brullen en pompen, vroeger dompen. Een groot aantal volksnamen verwijst naar die mysterieuze, vooral in de paartijd vanuit rietvelden en moerassen klinkende roep. Vergelijkbaar met Roerdomp zijn Raidomp (Gr), Reiddomper (Fr), Rietdomp (Tex), Roerdommel (RvN), dat op het Duitse Rohrdommel lijkt, Roesdomp (ZH, NB), Roosdomp (Ach), Rosdoompf (Wee), Roesdommer – het verschil met de huidige Nederlandse naam wordt steeds groter , Roosdommel, Reurdottel (Gr) en Rommeldoes (Lb). De naam Butoor (NB), van het Frans Butor, dat vermoedelijk teruggaat op het vulgair-Latijn buti-taurus, betekent ‘boeroeper als een stier’, omdat de vogelroep zo klinkt. De streeknamen Pictoor en Pietoortje (Eem) zijn hiervan afgeleid, evenals het Belgische Puitoor en de Engelse naam Bittern. Ieverzumpe (Ach) en Ieve(r)zomp (Ach) zouden ‘ergens in het drassige terrein’ kunnen betekenen, waarmee z’n verborgen bestaan in het rietmoeras is weergegeven. Ieprom (Ach, Twe), Ieperompe (Ach) en Iep(e)ron (Ach, Twe) houden verband met ieperig = zwaar tobbend. Deze vogelnamen doelen op het zwaarmoedig klinkende geluid. Een gezegde was destijds: “As den Ieperon zeuven mal bloas, loopn de koein int volle groas”. Anders gezegd: als de Roerdomp zich voluit laat horen is het voorjaar zo ver gevorderd dat de koeien in de wei lopen. Onduidelijk is de naam Haayong (Zaa). Mogelijk gaat het om een klanknabootsing. Wat geforceerd lijkt Brulaap (Ree), maar dit tekent wel de karakteristieken van de Roerdomp: z’n geluid en behendigheid in het riet. De naam Weerlam (Ut) wordt gedeeld met de Watersnip, bij welke vogel echter van een ‘blatend’ geluid sprake is. Hier kan sprake zijn geweest van een vergissing, zoals ook de naam Watermael destijds niet bij de Roerdomp bleek te horen maar bij de Zeehond. De volksnamen Basblazer, Domphoren (NB), Domphorre (NB), Domp (NB) en Pomp-hoorn (NB) verwoorden z’n roep als die van een dof klinkende hoorn. Een van z’n Italiaanse volksnamen is zelfs Trombone. Overigens vragen sommigen zich af of Domphoren misschien een omkering is van Hordomp, dat afkomstig is van de bijbelse naam van de Roerdomp Horothucil, later in het Oud-Hoogduits Horotumbil. ‘Horo’ betekent slik of modder en heeft dus op de biotoop betrekking. Andere namen bevatten tevens een element dat ‘rund’ betekent, zoals Moerasstier, Rietos, Marbolle (= meerstier), Reidbolle en Vaenebolle (Ach) (= ven-stier). Ze zijn vergelijkbaar met de Duitse volksnamen Moorochse, Mooskuh en Wasserochs. Uit de namen Bundte Reiger en Rietreiger blijkt dat de vogel tot de reigersoorten wordt gerekend en bont van kleur is. Zo vliegt hij net als een reiger met ingetrokken hals en naar achteren gestrekte poten. In het voorjaar heeft hij een wat rossige gloed en noemt men hem Rosse Butoor en Rode Roerdomp. Zoals bekend neemt hij bij dreigend gevaar de karakteristieke paalhouding aan om zich te camoufleren tussen het riet, hetgeen hem wegens de donkere stervormige vlekken op het lichaam (vgl. de wetenschappelijke naam) goed lukt. De Roerdomp was vroeger een begeerde jachtbuit. Tegen die achtergrond is het te verklaren dat Rembrandt zich op een van zijn zelfportretten heeft afgebeeld als roerdomp-ja ger.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

roerdomp: voëls. (spp. Botaurus); Ndl. roerdomp (Mnl. roerdum(p) roerdumpt, talle Ndl., Mnl. en dial. wv.), Hd. rohrdommel – 1e lid hou verb. m. roer III en 2e wsk. kn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

roerdomp ‘reigerachtige’ -> Zweeds rördrom ‘reigerachtige’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

roerdomp* reigerachtige 1562 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut