Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roepen - (schreeuwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

roepen ww. ‘schreeuwen; ontbieden’
Onl. ruopan ‘schreeuwen, roepen’ in ruopon salun ‘zij zullen roepen’, Bit stimmon minero ce gode riep ik ‘met mijn stem riep ik tot God’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. rupen, ook ‘bij zich roepen, ontbieden’ [1240; Bern.], roepen [1265-70; VMNW].
Os. hrōpan; ohd. (h)ruofan ‘schreeuwen, roepen’ (nhd. rufen); ofri. hrōpa (nfri. roppe); oe. hrōpan ‘schreeuwen, uitroepen’; got. hropjan ‘roepen’; < pgm. *hrōpjan- ‘roepen, schreeuwen’. Daarnaast on. hrópa ‘bespotten, belasteren; luid roepen’ (nzw. ropa) < pgm. *hrōpōn-. Hierbij ook de afleiding pgm. *hrōpa- ‘geschreeuw’, waaruit: mnl. roep (zie onder); mnd. rōp ‘roep’; ohd. (h)ruof (nhd. Ruf); oe. hrōp; on. hróp; got. hrops.
Er zijn geen directe verwanten, tenzij men aanneemt dat het woord te maken heeft met de groep van → roem, wat gezien de betekenis niet uitgesloten is.
De uitdrukking zich geroepen voelen ‘zich als de aangewezen persoon beschouwen’ gaat terug op de betekenis ‘iemand aanmanen, aansporen tot iets’, met name in religieuze zin. Zie ook → ruchtbaar, → berucht, → gerucht.
roep zn. ‘het roepen’. Mnl. bi roepe ‘op afroep’ [1281; VMNW]. Nomen actionis bij roepen. ♦ roeping zn. ‘taak waartoe men zich geroepen voelt’. Mnl. rupinge ‘luid geschreeuw; oproep, roeping’ [1240; Bern.], roepinghe. Afleiding van roepen met het achtervoegsel → -ing.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

roepen1* [schreeuwen] {oudnederlands ruopen 901-1000, middelnederlands ro(e)pen, roupen} oudsaksisch, oudengels hropan, oudhoogduits (h)ruofan, gotisch hrōpjan; een germ. woord waarvan daarbuiten geen verwanten bekend zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

roepen redupl. ww., mnl. roepen, onfrank. ruopen, ruopon, os. hrōpan, ohd. hruofan, ruofan (nhd. rufen), ofri. hrōpa, oe. hrōpan ‘roepen, schreeuwen’.

Etymologie is niet zeker. 1. Men kan verbinden met lit. skrebéti ‘ratelen’, gr. krembala ‘castagnetten’ uit idg. *(s)kreb-, afl. van de klankwortel *ker, waarvoor zie: raaf. — 2. Men kan het woord plaatsen naast de groep van roem, die ook wel van dezelfde wortel afgeleid kan worden. Maar de tegenstelling van ‘laster’ enerzijds, van ‘roem’ anderzijds kan er op wijzen, dat wij in beide gevallen met handelingen in een volksgemeenschap te doen hebben; dan kan men in de zin van J. Trier verbinden met de onder rijs genoemde groep (dus: vlechtwerk van twijgen > omheining > dinggemeenschap > handelingen in die gemeenschap). — FW 554 wijst op de rijmwoorden 1. got. hwōpan ‘roemen, bluffen’, oe. hwōpan ‘dreigen’ en 2. ohd. wuoffan, os. wōpian, ‘weeklagen’, ofri. wēpa ‘schreeuwen’, oe. wēpan (ne. weep) ‘wenen’, on. œpa ‘schreeuwen’, got. wōpjan ‘wenen’, die men verbindt met osl. vabiti ‘tot zich roepen’, lett. wābīt ‘voor het gerecht dagen’ (Uhlenbeck PBB 22, 1897, 193), dus ook in dit geval met aanknoping aan de rechtsprekende volksvergadering.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

roepen. Ook het Ags. heeft wsch. een zwak hrêpan = ohd. (h)ruofen gekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

roepen o.w., Mnl. id., Onfra. hruopan, Os. hrôpan + Ohd. ruofan (Mhd. ruofen, Nhd. rufen), Ags. hrópan, Ofri. en On. hrópa, Go. hropjan, denom. van roep, Go. hrops, met ander suff. van den wortel van roem.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rope (ww.) roepen; Aajdnederlands ruopan <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

roep: s.nw. en ww., skreeu; Ndl. roep (Mnl. roep), Hd. ruf, en ww. Ndl. roepen (Mnl. roepen), Hd. rufen, maar Germ. en Idg. verw. hoërop onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

roepen ‘schreeuwen’ -> Zweeds ropa ‘schreeuwen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands roep, rup ‘schreeuwen’; Berbice-Nederlands lupu, rupr ‘schreeuwen’; Skepi-Nederlands rup ‘schreeuwen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

roepen* schreeuwen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

659. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Deze woorden zijn ontleend aan Matth. XXII, vs. 14: Want vele zijn geroepen, maer weynige uytvercoren. ‘Niet enkel op godsdienstig maar ook op maatschappelijk gebied wordt deze uitspraak toegepast en gebezigd, om aan te duiden, dat het slechts weinigen gegund is om dit of dat eerbewijs te verwerven, deze of gene gunst te ontvangen’; Zeeman, 221; fr. il y a beaucoup d'appelés, mais peu d'élus; hd. viele sind berufen, aber wenige sind auserwählt; eng. many are called but few (are) chosen.

1550. Moord en brand schreeuwen (of roepen),

d.w.z. luid schreeuwen, erg te keer gaan; zich hevig beklagen (over een onrecht, enz.). Eertijds had deze uitdr. de beteekenis van dreigen met moord en brandstichtingVgl. mnl. mortbrant, moortbrant, heimelijke, verraderlijke, ook nachtelijke brandstichting; ook die met de bedoeling om daarbij menschen te doen omkomen; Mnl. Wdb. IV, 1961 en Stallaert II, 218., nagenoeg hetzelfde als het vroegere ten brande en ten zwaarde dreigen, - eischen, opeischen onder bedreiging met moord en brandstichting. Vgl. Vondel, Gijsbr. v. Aemst. vs. 184:

 Wat heeft men gift en gal gebraeckt en brant en moort
 Getiert en 't gansche jaer gescholden en gekreeten.

Zie verder Vondel's Maeghden, vs. 1690; het Ndl. Wdb. III, 1033; IX, 1107; Joos, 61; Antw. Idiot. 1093; 1906; Waasch Idiot. 444 b; en vgl. Halma, 360: Moord en brand roepen, crier au meurtre et au feu; zy schreeuwde moord en brand, elle crioit comme si on eût voulu l'égorger. In het Friesch: hy skreaut moart en brân; in Gron. moard over hoalstok schreeuwen (Moiema, 270 a); Villiers, 82; in Zuid-Nederland en in Limb. kent men in denzelfden zin: pen en inkt roepen, wat volgens het Waasch Idiot. 514 en Ndl. Wdb. VI, 1747 gezegd wordt van jankende honden, doch eigenlijk van een marskramer, die deze artikelen luide vent (zie Volkskunde XXIII, 165); hd. Mord und Brand schreien; eng. to cry murder.

2172. Een stem des roependen in de woestijn,

wordt gezegd van iemand die tevergeefs iets verkondigt, naar wien men niet luistert. Ontleend aan de geschiedenis van Johannes den Dooper (Jes. XL, vs. 3; Matth. III, 3), wiens prediking evenwel niet te vergeefs was. Wij geven aan de woestijn de beteekenis van ‘een ijle ruimte, waarin geen levend wezen zich ophoudt en alwaar dus de stem weerklinkt maar zonder door iemand gehoord te worden’ (Zeeman, bl. 449In de Vulgaat: vox clamantis in deserto.). In Jes. XL, 3 lezen wij: ‘Daar klinkt het: baant in de woestijn den weg van Jahwe, effent in de wildernis een heirbaan voor onzen God. Bij het aanhalen van vs. 3 in het N.T. wordt Daar klinkt het (letterlijk Eene stem die roept of de stem van een roepende) ten onrechte verbonden met in de woestijn, dat in het Hebreeuwsch vóór baant staat, en wordt in de wildernis weggelaten, zoodat het optreden van Johannes den Dooper in de woestijn in Mattheus en Marcus de vervulling schijnt te zijn van deze profetie’. Zie de Leidsche Bijbelvertaling II, bl. 468.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut