Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roem - (lof, eer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

roem zn. ‘lof, eer’
Mnl. ruem ‘zelfverheffing, grootspraak’ [1240; Bern.], roem ‘lof, eer’ in Wi ebben hem of met groten roeme. Ghewonnen hare ouderdoeme. ‘wij (christenen) hebben hun (joden) met grote roem het recht van de oudstgeborene ontnomen’ [1285; CG II].
Os. hrōm; ohd. (h)ruom ‘geschreeuw, gepraal; roem’ (nhd. Ruhm); < pgm. *hrōma- ‘lawaai’. Hierbij wrsch. ook got. *hrōms blijkens de persoonsnaam Romorīdus [403; Reichert 1987, 579], indien dit niet bij rūm- ‘ruim(te)’ behoort. Hierbij horen ook oe. hrēmig ‘opschepperig, luid’ en hrēman ‘opscheppen’. Daarnaast bestond een afleiding op een dentaal met dezelfde betekenis: pgm. *hrōþa- ‘roem, eer’ zoals in: oe. hrōðor ‘troost, voordeel’; on. hróðr ‘roem, eer, lof’; got. hroþeigs (bn.) ‘beroemd’; en persoonsnamen als Frankisch Chrodechildis [6e eeuw; Reichert 1987, 214-215], West-Gotisch Rudericus [710-11; Reichert 1987, 527] en in Rudolf (< *Hrōþowulfa-). Ten slotte laat on. hrósa ‘roemen’ (nde. rose ‘prijzen’) een uitbreiding met een -s van dezelfde wortel pgm. *hrō- zien.
Vermoedelijk gaat het om een uitbreiding van een wortel zoals die verschijnt in Sanskrit carkarti ‘vermeldt lovend’, kīrtí- ‘roem, vermelding’; Litouws kardas ‘echo’, Oudpruisisch kirdīt ‘horen’; bij de wortel pie. *kreH- (IEW 530-531). De oorspr. betekenis was vermoedelijk ‘een krachtig geluid geven’ bij pie. *(s)ker- ‘schreeuwen, geluid van dieren’ (IEW 567). Zie ook → roepen.
Lit.: H. Bach (1952), ‘Ruom, rüemen. En ordhistorie’, in: Festskrift til L. L. Hammerich på tresårsdagen, København, 13-25; E.C. Polomé (1967), ‘Notes on the Reflexes of IE /ms/ in Germanic’, in: Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 45 (1967), 800-826; H. Reichert (1987), Lexikon der altgermanischen Namen, Wien, I

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

roem* [lof] {ro(e)m [roemzucht, pralerij, eer] 1201-1250} oudsaksisch hrōm, oudhoogduits (h)ruom en met ander achtervoegsel oudnoors hrōðr; buiten het germ. grieks kèrux [heraut], oudindisch kāru- [lofzanger].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

roem znw. m., mnl. roem m. o. ‘roem, heerlijkheid, eer’, os. hrōm m., ohd. hruom, ruom (nhd. ruhm) en oe. hræmig ‘zich beroemend, juichend’, got. *hrōms in PN als Rōmarigus, Rumili. Naast het m-formans staan met een t-afl.: nl. als 1ste lid van PN Roelof (= oe. Hrōðulf, on. Hrōlfr) en Roeland, os. hrōth- in PN Hrōthsvīth, ohd. *hruod-, ruod in PN als Rüdiger, Ruprecht, oe. hrœð, hrōð(or), on. hrōðr ‘roem’, got. *hrōþ in PN Rudesindus, Ruderichus. — De stamvorm *hrō- beantwoordt aan idg. *kar- in oi. carkarti ‘prijzend vermelden’, karkarí- ’soort geluid’, kīrtí- ‘roem, vermelding’, gr. karkaíro ‘dreunt’, kēruks ‘heraut’, lit. kardas ‘echo’, opr. kirdīt ‘horen’. — Zie ook: roepen.

Men kan wellicht nog verder verbinden on. herma ‘melden, vertellen, nadoen’, dat men vergelijkt met ohd. harēn ‘roepen’, antharōn ‘na-apen’, oe. hyrian ‘streven, nabootsen’, ofri. na-hiri ‘nabootsen’ (AEW 224). — Men moet uitgaan van een woord voor een krachtig geluid, dan is dus de idg. wt. *kar een variant van *ker, waarvoor zie: raaf. — In de archaische tijd was voor de krijger en edelman de roemrijke vermelding van zijn daden en vooral die zijner voorvaderen van het hoogste belang (dit was een der wortels van het heldenlied). In de christelijke tijd en dan nog meer in de riddertijd kreeg het woord een negatieve waarde van ‘pralen; roemzucht’, maar later kwam het weer tot aanzien in de bet. ‘lofprijzing van anderen’ (H. Bach, Fschr. Hammerich 1952, 13).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

roem znw., mnl. roem m. (o.) “het zich beroemen, roem, heerlijkheid, eer”. = ohd. (h)ruom (nhd. ruhm), os. hrôm m. “id.”. Evenals ags. hrôðor m. “vreugde”, on. hrôðr m. “roem, lof”, hrôsa “prijzen” en ags. hrêð m. “roem”, got. hroþeigs “roemrijk”, ook ohd. (h)ruod-, ndl. roe(d)- in eigennamen als hd. Rudolf, ndl. Roelof (= ags. Hrôðulf, on. Hrôlfr) van de basis germ. χrô-, een ablautvorm van idg. qerâx-, waarvan oi. kîrtí- “vermelding, roem” (ook opr. kirdīt “hooren”?); daarnaast qer-, qâr-: vgl. o.a. gr. kḗrūx, dor. kárūx “heraut”, gr. karkaírō “ik weergalm, dreun”, oi. carkarti “hij vermeldt met lof”, kârú- “zanger, dichter”, misschien ook on. herma “meedeelen, melden”. Lat. carmen “lied, gedicht” hoort eer bij cano “ik zing”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

roem m., Mnl. id., Os. hrôm + Ohd. ruom (Mhd. id., Nhd. ruhm), waarnevens met ander suffix Ohd. ruod, Ags. hréđ, On. hróđr, Go. hroþ- (nog voorkomende in de eigennamen Rodolf, Robert): Germ. wrt. hra + Skr. wrt. kar = gedenken, kīrtis = roem, Gr. kḗrux = heraut, misschien Lat. carmen = (lof)zang: Idg. wrt. kar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

roem s.nw.
1. Lof aan jouself toegeken. 2. Lof en eer deur ander toegeken. 3. Iets wat die oorsaak van bewondering is.
Uit Ndl. roem (al Mnl. in bet. 1, 1599 in bet. 2, 1642 in bet. 3). In Mnl. is roem (in bet. 1) veral in 'n min of meer ongunstige sin gebruik, en i.p.v. roem in bet. 2 is o.a. lof, prijs en ere gebruik. Die ongunstige bet. van Mnl. roem is as gevolg van die invloed van die Christendom, deurdat selfverheerliking nie in ooreenstemming met die Christelike leer van nederigheid is nie. Die latere gunstige bet. (bet. 2 en 3) berus op die D. Bybelvertaling van 1526. Nou kry nie die eie persoon nie, maar aanvanklik God se lof, en later ander mense s'n, aandag.
D. Rühm.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

roem: s.nw. en ww., aansien, glorie, lof; lof toebring; Ndl. roem (Mnl. roem), Hd. ruhm, hou misk. verb. m. Gr. kêrux, “herout”, ouer bet. blb. “aankondiging; aankondig” (bv. v. ’n pers. deur ’n herout).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

roem (Duits Ruhm); (eigen -- stinkt) (vert. van Latijn propria laus est foetida/sordet)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Roem (Os. krom), afl. op m van den Germ. wt. hro, Idg. kra of kar = prijzen. Vgl. ’t Lat. carmen = lofzang.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

roem ‘lof’ -> Negerhollands roem ‘lof’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

roem lof 1526 [TNTL 1957, 116] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal