Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roek - (vogel) (Corvus frugilegus )

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

roek zn. ‘vogel’ (Corvus frugilegus )
Onl. rōk als bijnaam van filius Gerulfi Ruch [12e eeuw; Debrabandere 2003] en mogelijk in de plaatsnaam Rokenberge (onbekende ligging in Limburg) [1176, kopie 18e eeuw; Künzel]; mnl. roec ‘roek’ [1285; VMNW].
Mnd. rōk; ohd. hruoh (vnhd. Ruch); oe. hrōc (ne. rook); on. hrókr (nzw. råka); < pgm. *hrōka- ‘roek’. Uit een Frankische vorm *hrōk ontstond Oudfrans frox, Nieuwfrans freux ‘roek’.
Buiten het Germaans zijn er geen verwante vogelnamen. Het Germaanse woord is een klanknabootsing en is verwant met de werkwoorden: Latijn crōcīre; Grieks krṓzein ‘id.’; Litouws dial. krokoti; Kerkslavisch krakati; alle ‘krassen (van vogels)’. Zie ook → raaf.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

roek* [vogel] {roec, rouc, roeke [kraai, raaf] 1285} middelnederduits rōk, oudhoogduits (h)ruoh (hoogduits Ruch), oudengels hrōc (engels rook), oudnoors hrōkr, gotisch hrukjan [kraaien]; buiten het germ. latijn corvus [raaf], cornix [kraai], grieks korax [raaf]; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

roek znw. m., mnl. roec m., mnd. rōk, ohd. hruoh, ruoh, oe. hrōc (ne. rook), on. hrōkr m., vgl. boerg. *hrōks in PN (vgl. Gamillscheg, Rom. Germ. 3, 129). — Een typische naam voor een schreeuwende vogel, vgl. gr. krṓzō, krázō, lit. krogiu ‘krassen’ en met tenuis: lat. crocio, lit. krokti, osl. krakati (Suolahti 183). — Zie voor verdere verwanten: raaf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] roek. Voor ksl. krukŭ lees: russ. dial., klruss. po. kruk.

roek znw., mnl. roec m. = ohd. (h)ruoh, mnd. rôk, ags. hrôc (eng. rook), on. hrôkr m. “roek” (e.a. dgl. vogels). In sommige talen ook een zwak *χrôkan-. Verwant met gr. krṓzō “ik kras”, lit. krógiu “ik rochel, knor”. Met q in den wortelauslaut: lat. crôcio “ik kras”, ksl. krakati “krassen”, lit. krókiu in bet. = krógiu. Vgl. met u-vocalisme got. hrukjan (û?) “kraaien”, on. hraukr m. “pelecanus ater”, gr. kraugḗ “geschreeuw” en met q in den wortelauslaut: ksl. krukŭ “raaf”, lit. kraũkti “krassen”, krauklỹs “kraai”, met oi. króçati “hij krijscht, schreeuwt”. Al deze vormen benevens on. hrîka “knarsen” en reiger en verwanten en nog veel meer woorden komen van verlengingen van de bij raaf besproken bases qer-(ā̆x-), ḱer-(ā̆x-).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

roek m., Mnl. id. + Ohd. hruoh (Mhd. ruoch, Nhd. ruch), Ags. hróc (Eng. rook), On. hrókr (Zw. råka, De. raage) + Skr. wrt. kruç = schreeuwen, Gr. kraugḗ = geschreeuw, krṓzein, Lat. crocire = krassen, Ru. , Po. kruk = raaf, Lit. krogiu = rochelen, kraũkti = krassen: afwisseling van wortel met slot-g en slot-q, met klank ô, u en au. Uit Germ. komt Fr. freux: z. flank.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Roek Corvus frugilegus Linnaeus 1758. Kraaiachtige vogel, die door het koloniegewijs broeden en de wittige kale huid aan de snavelbasis ws. vaak goed door de mensen werd onderscheiden van de Zwarte Kraai (ook in die gebieden van Europa, waar deze i.p.v. de Bonte Kraai voorkomt). De Roek maakt ook een ander geluid dan Zwarte/Bonte Kraai en Raaf, ws. de reden waarom (na diverse klankwisselingen in de taal!) het woord Roek nu een andere klinker heeft dan Raaf en Kraai.
Vooral in het fries zijn er veel uitdrukkingen met Roek (Sa bang as de âlde roeken fan in sjamme = volstrekt niet bang, letterlijk: zo bang als de Roeken van de vogelverschrikker), die er op wijzen dat de Roek een bij de mensen bekende vogel was.
ETYMOLOGIE N Roek Roeck, Roock (VK c.1618) roec [JvM vs.2151], rouc, roeke (zou volgens vDE “kraai, raaf” betekenen, maar het is de vraag of dit niet op incidentele vergissingen berust) *hrōk1 >oudf fros (begin 13e eeuw) >F Freux (1493) [Robert]; fries (Wytbekte) Roek, (âld) Roek, Rûts (met zgn. ‘palatalisatie’ van de k); mnd Rok; D Ruch (16e eeuw; deze naam bestaat nu niet meer; Roek = D Saatkrähe) hruoh; E Rook rok hrōc; deens Råge, zweeds Råka, Rauk hrókr [mb.00D,11]; *hrokaz; *krog- of *krag-, welke laatste een fraaie nabootsing van de roep, die in de kolonies in het voorjaar te horen is (met lange [aa]). – [R Gratsj ‘Roek’ past hier, wat de beginmedeklinker betreft, helaas minder bij.]
De ontwikkeling van de klinkers verloopt in het geval van *kraag- zoals aangeduid onder Oeverloper [aa > oo > (diftongering tot) uo of ua >(monoftongering tot) oe], fundamenteel anders dus als bij Raaf ↑ [o >a >aa].
Sommige auteurs brengen de naam Roek in verband met gotisch hrukjan ‘kraaien’ (het ww.), maar de korte -u- past niet bij germ -oo- of idg aa. Mogelijk passen de ww. Lat crocio, Gr krózō, krázō, litouws krogiu, krokti en oudslavisch krakati ‘krassen’. Dit ww. kan afgeleid zijn van de vogelnaam, en andersom kan ook. Zie ook sub Raaf voor hiermee verband houdende vogelnamen (maar dan met metathesis van de r).
Pools Gawron en tsjechisch Havran (beide ‘Roek’) komen sterk overeen met de namen pools Wrona en tsjechisch Vrána (beide = (Bonte) Kraai). Het bulgaars kent hetzelfde namenpaar, maar dan Garvan ‘Raaf’ en Vrana ‘(Bonte) Kraai’. In het lets stemmen de woorden Kraukis ‘Roek’ en Krauklis ‘Raaf’ qua middenklank, en verder bijna volledig, overeen. Al deze namen wijzen erop dat men in deze talen het verschil tussen Roek, (Raaf) en (Bonte!) Kraai goed kon vaststellen, maar dat de etymologie (c.q. de onomatopoëtische vorming) zeer verwant was. In het serv.-kr. gebruikt men het woord Vrana voor Roek, Bonte Kraai en Raaf, maar elk met een verschillend bnw. Buiten de idg groep worden fins Varis, estisch Vares en hongaars Varjú gebruikt voor Roek én Bonte Kraai, maar met onderscheidende adjectieven. Deze woorden lijken ook klanknabootsend, althans de eerste lettergreep.
De Vries (1911-1912) vraagt zich af, waarom de Roek in het fries ook wel âld-Roek (letterlijk: ‘oude Roek’) genoemd wordt. Bij geen van de vele oost- en noordfriese namen, die hij in 1928 voor de Roek vermeldt, noch bij de scandinavische, is een vergelijkbare naam. Echter voor de Kauw bestaat fries Alk, deens Allike en zweeds Al(l)ika (<*Ale-ka, waarbij Ale <*Adelheid, een schertsnaam voor de (‘zwetsende’) Kauw en Ka(a) = Kauw); misschien is âld-Roek hiervan het analogon (alhoewel een Roek niet ‘zwetst’). ‘âld’ zou dan een verbastering van ‘Ale’ zijn. Ook zou het mogelijk kunnen zijn dat men het verschil maakte tussen een volwassen (= ‘oude’) Roek en een juveniele vogel; de laatste is te herkennen aan het nog ontbreken van de witte snavelbasis. Zo’n jonge Roek lijkt, meer dan de oude, op een Zwarte Kraai.

==

1 In de 9e eeuw verdween de anlaut hr- in het onl; daarvoor in de plaats in het onl: r- en in het F: fr-) [Sijs 2001].

Rûts Friese volksnaam voor de Roek, uit te spreken als [roets] (de officiële friese naam luidt Roek). De [ts]- klank vormt de gepalataliseerde tegenhanger van de [k] (net als fries tsjerke voor ‘kerk’; vgl. ook sub Lytse Bosksjonger). De vogelnaam heeft niets met ‘roetsjen’ te maken (vgl. B&TS 1995 p.236).

Ruuk Rúek Naam voor de Roek ↑ op Schiermonnikoog [De Vries 1911/1928; ViF 1979, p.1399]. B&TS 1995 zegt dat de naam op Schiermonnikoog óók gegeven wordt aan Bonte en Zwarte Kraai. In het laatste geval moet men bedenken dat Zwarte Kraai en Roek erg op elkaar gelijken, dus dat verwarring bij de mensen goed denkbaar is. Wat de Bonte Kraai betreft, deze wordt/werd op het oostfriese eiland Wangeroog Buntrouk genoemd [De Vries 1911/1928].

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

ROEKCorvus frugilegus
Duits Saatkrähe
Engels Rook
Frans Corbeau freux
Fries Roek
Betekenis wetenschappelijke naam: veldvruchten verzamelende Raaf. De naam, in het Middelnederlands Rôk, in het Oudengels Hrôc en te vergelijken met het Griekse korax, dat verwant is aan krazo = ‘ik kras’, is een klanknabootsend gevormde naam. Varianten zijn (Ol) Rouk (Gr), Ruuk of Rúek (Sch), Swarte Roek (Fr) en Ald Roek (Fr). De naam Rûts (Fr) hangt misschien samen met het begrip ‘roetsj’ (zoals in roetsjbaan), een plotselinge snelle beweging. Evenals andere kraaien noemt men de Roek Maaskrao (Lb), Oogstlezer (Vla) en Zaadkraai, respectievelijk naar fouragegebied en voedselbron. De namen Zoadkreeie (Rij) en Korenkraai sluiten hierop aan. Onduidelijk is de betekenis van Zandkraai (Lb), mogelijk is het een verbastering van het eerder genoemde Zaadkraai. Soms wordt de Roek Zwarte Kwaa (ZVl) en Swarte Ka (Fr) genoemd door zijn gelijkenis met een Zwarte Kraai. Hij heet Kleine Kraeje (Ach) omdat hij iets kleiner en slanker is dan de Kraai. Er zijn ook opvallende verschillen met de Zwarte Kraai. Roeken zijn uitgesproken kolonievogels en vertonen daarmee een duidelijk sociaal gedrag. Ze nestelen in toppen van bomen met dikwijls honderden nesten in één broedkolonie. Deze leefwijze komt tot uitdrukking in de namen Gezelschapskraai en Boomkrije (Gr). Een ander kenmerk is de kale lichtgrijze plek bij de snavelbasis en de grijze snavel van de volwassen Roek, die de achtergrond vormen van namen als Witbekte Roek (Fr), Witbekte Rouk (Gr), Hoorn-kraai, Schurftkop, Schurftkraa(i) (Ter) en Schimmelbek (Haa). Mogelijk is uit die laatste bijnaam Schommelkont ontstaan. Van i naar o is immers een kleine stap, daarenboven wordt er de enigszins schommelende gang van de vogel mee weergegeven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

roek ‘zangvogel’ -> Frans freux ‘zangvogel’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

roek* zangvogel 1220 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut