Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roede - (bundel twijgen; houten of metalen stok)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

roe(de) zn. ‘bundel twijgen; houten of metalen stok’
Onl. ruoda ‘roede, stok’ in an ruodan isernero ‘met een ijzeren stok’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. rude ‘twijg’ [1240; Bern.], roede ‘bundel twijgen, staaf, stok (veelal als strafwerktuig)’ in gheecelt ende sleet Met sire ... roeden ‘geselt en slaat met zijn roede’ [1265-70; VMNW], Mettien heueti die roede verheuen ‘hij heeft meteen zijn staf verheven’ [1285; VMNW], ‘lengte- of oppervlaktemaat’ in van vieren jmeten lans ende xxxviii. roede ‘een stuk land van vier gemeten en 38 (vierkante) roeden’ [1274; VMNW].
Os. rōda; ohd. ruota ‘roede, staaf, stang’ (nhd. Rute); ofri. rōde ‘galg’ (nfri. roede ‘roede’); oe. rōd ‘kruis (als executiewerktuig)’; on. róða ‘roede; kruis’; < pgm. *rōdō(n)- ‘roede, twijg’.
Verdere herkomst onbekend. Verband met Latijn rētae (mv.) ‘bomen aan de rivier’ of met ratis ‘vlot (vaartuig)’ is zeer onzeker. Gedacht kan nog worden aan een afleiding pie. *h2reh2-t-éh2- bij de wortel van → arm 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

roede*, roe [twijg] {1201-1250 in de betekenis ‘tak, staf’} oudsaksisch roda [staak, galg], oudhoogduits ruota [staaf], oudfries rode [galg], oudengels rōd [kruis] (engels rod [stok]), oudnoors róða; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

roede, roe znw. v., mnl. roede v. ‘twijg, roede, staak, stang, staf, penis, lengte- en vlaktemaat’, os. rōda v. ‘staak, stand, kruis’, ohd. ruota v. ‘roede, staaf, stand, meetstok’, ofri. rōde v. ‘galg’, oe. rōd v. ‘kruis’, on. rōða ‘roede, kruis’ (vgl. hjalmrōða ‘stang die het dak van een hooimijt draagt’; vroeg ontleend in fins ruoto ‘stang’). — Formeel kan men een idg. wt. *rēt-, *rōt-, *rǝt- opstellen en dan kan men vergelijken osl. ratište, ratovište ‘lansschacht’, minder zeker is de verbinding met lat. rētae ‘aan rivieroever staande bomen’ en rătis ‘vlot’ (IEW 866).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

roede, roe znw., mnl. roede v. “twijg, roede, staak, stang, staf, mannelijke roede, een lengte- en vlaktemaat”. = ohd. ruota v. “roede, staaf, stang, meetroede” (nhd. rute), os. rôda v. “staak, stang, kruis”, ofri. rôde v. “galg”, ags. rôd v. “kruis” (eng. rod, rood), on. rôða (in hjalm-rôða) v. “stang”, germ. * rôðô(n)-. Oorsprong onzeker. Misschien met lat. râmus *râdmo-s) “tak” — en mogelijk nog lat. radius “stok, spaak, straal” — van de bij raai besproken basis. Deze lat. woorden kunnen echter ook met wortel en verwanten gecombineerd worden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

roede, roe. Alle verbindingen buiten het Germ. onzeker, ook die met lat. ratis ‘vlot’, ksl. ratište ‘schacht van een lans’, welke idg. t veronderstelt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

roede v., Mnl. id., Os. rôda + Ohd. ruota (Mhd. ruote, Nhd. rute), Ags. ród (Eng. rod), Ofri. róde, On. róda + misschien Lat. radius = staf, straal.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

roede s.nw.
1. Lat of rottang vir lyfstraf. 2. Staaf, bv. vir gordyne. 3. Lengte- en oppervlaktemaat. 4. Penis.
Uit Ndl. roede (al Mnl. in bet. 1 - 3, 1579 - 1592 in bet. 4).
Eng. rod.
Vgl. 1roei.

1roei s.nw.
Stert van 'n komeet.
Uit Ndl. roede (1703). Ndl. roede kom reeds in Mnl. in verskeie bet. voor, dog hierdie bet. het later ontwikkel met bygedagte aan roede (roede 1). Komete is vroeër as voortekens van naderende onheil aangesien, tot tugtiging van die mensdom.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

roei I: “biesie” (in bv. bies(e)roei q.v.); “stert v. ’n komeet”; Ndl. roede (Mnl. roede, “takkie; penis; vlaktemaat”), Hd. rute, Eng. rod en rood; verw. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De roede (niet) sparen, (niet) terughoudend zijn in het geven van kritiek of het nemen van harde maatregelen.

Spreuken 13:24 luidt: 'Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem liefheeft, tuchtigt hem reeds vroeg' (NBG-vertaling; in de NBV is de 'roede' tot 'stok' geworden) . Het geven van (lichamelijke) straf getuigt van liefde, zo is de boodschap. Deze woorden zijn gereduceerd tot de werkwoordelijke verbinding de roede (niet) sparen.

Liesveldtbijbel (1526), Spreuken 13:24. Wie sine roede spaart, die hatet sinen sone. Maer wie hem lief heeft, die onder wijst hem ter stont. (De Statenvertaling (1637) heeft inhoudt i.p.v. spaart.)
De Jong spaarde de roede niet. Wanneer de leiders, of het volk als geheel, hadden gefaald, werden de 'fouten' duidelijk van de 'goeden' gescheiden. (NRC, apr. 1995)
Ook het geloof speelt een grote rol, of liever de afvalligheid van Maarten en de reacties van zijn vader daarop die, zoals we weten, zijn zoon de roede niet heeft gespaard. (Leeuwarder Courant, 15-12-1979)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

roede, roe ‘twijg (m.n. als strafwerktuig); stok, staaf, stang; lengtemaat’ -> Engels † rode ‘lengtemaat’;? Deens rue ‘schuine ra’;? Zweeds ru ‘rondhout gebruikt bij zeilen’; Javaans ruji ‘twijg, spijl, spaak; straal (van paraplu, cirkel)’; Javaans eru ‘vierkante Rijnlandse roede (14,19 m2)’; Madoerees ērru ‘vlaktemaat’; Negerhollands roede ‘twijg, zweep’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † ro ‘twijg (als strafwerktuig); stok, staaf, stang’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

millimeter, centimeter, meter, kilometer [lengtematen] (1809). In 1809 wordt het metrieke stelsel in Nederland ingevoerd. Dit stelsel leidt tot een reeks nieuwe benamingen voor lengtematen, die oude namen als roede, voet, duim en el vervingen. Het metrieke stelsel werd weer afgeschaft in 1813 en heringevoerd in 1821. In 1869 wordt het definitief bij wet aangenomen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

roede* twijg 1240 [Bern.]

roede* mannelijk lid 1596 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut