Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

robber - (reeks partijen (bij bridge, oorspr. whist))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

robber(tje) zn. ‘reeks partijen’
Nnl. rubber, robber ‘reeks van partijen bij bepaalde kaartspelen’ [1810; WNT], een robber whist ‘een potje whist (bepaald kaartspel)’ [1887; Gids], overdrachtelijk robbertje ‘bepaalde korte periode (van een actie)’ in om ... een robbertje te weenen [1887; Groene Amsterdammer], zeker 'n robbertje gevochten ‘zeker een partijtje gevochten’ [1897; WNT].
Ontleend aan Engels rubber ‘een beslissende slotpartij (bij het kegelen)’ [1599; OED]; ‘serie van twee of drie partijen (bij o.a. bridge en whist)’ [1744; OED]. Verdere herkomst onbekend.
De overdrachtelijke betekenisuitbreiding van dit woord is vergelijkbaar met die van potje in een potje kaarten naar bijv. een potje huilen. Tegenwoordig komt het verkleinwoord vrijwel uitsluitend voor in combinatie met vechten, wellicht mede onder invloed van het verouderde werkwoord robben ‘ravotten, stoeien’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

robber2 [reeks partijen (bij bridge, oorspr. whist)] {1810} < frans robre [idem] < engels rubber, waarschijnlijk van to rub [uitvlakken], namelijk na afloop de notities van de vorige ronde (vgl. robben).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

robber znw. m. ‘speelterm in het whistspel, reeks van drie partijen’, evenals nhd. robber, nde. robber(t), nzw. robbert < ne. rubber, dat men wel in verband brengt met rub ‘wrijven’ (dan van ‘het uitwissen van de spelpunten na het beëindigen van de serie’?)

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

robber znw. Internationale speelterm. Uit eng. rubber = rubber “wrijver, slijpsleen” (zie robben).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

robber 2 o. (spel), door Fr. robre, uit Eng. rubber: oorspr. onbek.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

robber (Frans robre)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

robber reeks partijen (bij bridge, whist) 1810 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut