Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rivier - (waterstroom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rivier zn. ‘waterstroom’
Vnnl. riujre ‘rivier, waterstroom’ [1240; Bern.], rivier(e) in al dus eet dandre riuiere tygris ‘zo heet de tweede rivier Tygris’ [1285; VMNW], ook wel ‘oeverland, langs een rivier gelegen land’ in ooc canic vogelen ter rivieren ende vaen wilde pluvieren ‘ook kan ik op vogels jagen bij de rivier en wilde plevieren vangen’ [ca. 1350; MNW].
Ontleend aan Oudfrans riviere ‘rivier’ [eind 11e eeuw; TLF] (Nieuwfrans rivière), later ook ‘gebied aan de oever van een rivier’ [begin 12e eeuw; TLF], ‘jacht op waterdieren’ [ca. 1135; TLF], ‘jachtterrein’ [ca. 1175; TLF] en ‘kust’ [1265; TLF]. Het Franse woord is ontwikkeld uit vulgair Latijn riparia ‘gebied langs een waterloop’ (vanaf de 8e eeuw in toponiemen geattesteerd), ‘kust’ [951; Rey] en is afgeleid van klassiek Latijn rīpārius ‘bij de oever gelegen’, een afleiding van rīpa ‘oever, kust’, waarvan de verdere herkomst onduidelijk is, wellicht verwant met Grieks ereípein ‘doen neerstorten’, erípnā ‘steile kant’, zie ook → repel.
De oorspr. betekenis in de Romaanse talen is dus ‘oevergebied’; in het Frans ontstond hiernaast de betekenis ‘rivier’. De oorspr. betekenis was ook bekend in het Middelnederlands als ‘(vogeljacht)gebied langs de oever’, en deze heeft zich nog tot in de 17e eeuw gehandhaafd. In het Duits is dit de enige ontleende betekenis: Duits Revier ‘jachtterrein’ heeft zich vervolgens uitgebreid tot onder meer ‘district, gebied’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rivier [waterstroom] {rivier(e) [oeverstreek, rivier] 1201-1250} < oudfrans riv(i)ere < middeleeuws latijn riparia (terra) [oever(land)], vr. van riparius [oever-], van ripa [oever], mv. ripae [oeverstreek], verwant met grieks eripna [steilte], ereipein [uiteenrukken, instorten], oudnoors rífa [breken], rif [bank in zee] (vgl. rif2, riveerhamer, arriveren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rivier znw. v., mnl. riviere ‘oeverstreek, vooral voor de vogeljacht, rivier’, evenals mhd. rivier m. v. o. ‘beek’, rivier(e) v. o. ‘streek, district’ (nhd. revier), mnd. rivēr m. o., rivēre v., ne. river ‘rivier’ < fra. rivière ‘land langs een stroom, rivier’ < vulg. lat. rīpāria ‘wat zich aan de oever bevindt’. Sinds de 13/14de eeuw komt in Frankrijk de bet. ‘rivier’ op. In het ofra. betekent het ook ‘jacht op watervogels’, wat overeenstemt met de oudste bet. van mnl. mhd. (hier eerst ‘jachtgebied’, dan ook ‘gebied onder bosbeheer’).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rivier znw., mnl. riviere v. (laat-mnl. ook rivier m. of o.) “oeverstreek (vooral als terrein voor de vogeljacht), rivier”. Uit ofr. riviere “id.” (fr. rivière “rivier”; < lat. *rîpâria). Ook elders ontleend: mhd. rivier m. v. o. “beek”, rivier(e) v. o. “streek, district” (nhd. revier o.), mnd. rivêr o. m., rivêre v., eng. river “rivier”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rivier v., Mnl. riviere, uit Fr. rivière, van Mlat. ripariam (-ia) = 1. oever, 2. rivier: zelfst. gebr. vr. adj. afgel. van Lat. ripa = oever (z. rif 3).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

rivier s.nw.
Natuurlike waterstroom wat in die see, 'n meer of ander rivier uitloop.
Uit Ndl. rivier (al Mnl.). In Mnl., en ook in verouderde Ndl., het rivier, naas 'waterstroom', ook 'oewerstreek' beteken.
Ndl. rivier uit Oudfrans riv(i)ere uit Latyn riparia (terra) 'oewer(land)', met lg. van ripa 'oewer', mv. ripae 'oewerstreek'.
D. Revier (13de eeu), Eng. river.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

rivier (de): (veroud.) indien voorafgegaan door een vz., i.h.b. ’in’, ook de rivieren, al of niet gevolgd door de naam/namen, kon betekenen dat het ging om het cultuurgebied langs die rivier(en); ook kon alleen een naam aldus gebruikt worden. Soo hebben wij met rijppe deliberatie goedtgevonden () dat den laesten kooper van de slaeff ofte slaven die deselve opbreght in dese rivier [bedoeld werd de Surinamerivier] sal kooper wesen en de slaeff ofte slaeven sijn eygendom (plak. van 1672, oudste vindpl.; S&dS 70). De Chirurgijns in de rivieren (wij zouden in Europa zeggen: ten platte lande) zijn hoofdzakelijk met de genees- en heelkundige verzorging der Plantaadje-Negers belast () (Kuhn 1828: 38). Wert mede aen alle planters ende ingesetenen van de rivieren Suriname, Commewine en ressorten van dien () gewaerschout, dat sij () (plak. van 1684; S&dS 151). Ik deed een beroep op de posthouder* in de Tapanahony (Waller 143). - Opm.: Kreek* (2) werd ook zo gebruikt.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rivier: waterstroom (groter as spruit); Ndl. rivier (Mnl rivlere, “oewerstreek”, by vRieb dikw. revier), Hd. revier, Eng. river, via Fr. rivière, “land langs ’n stroom; stroom, rivier”, uit Ll. rīpāria, “oewerstreek” (Lat. ripa, “stroomoewer; strand”), vgl. Eng. riparian.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rivier (Oudfrans riviere)
Rivier (Gele --) (vert. van Mandarijn Huang He)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rivier, van ’t Fr. riviere en dit van ’t Lat. riparia = oever, rivier.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rivier ‘waterstroom’ -> Fries rivier ‘waterstroom’; Negerhollands rivier, riva ‘waterstroom’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rivier waterstroom 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut