Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ritsen - (ritssluiting gebruiken)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ritsen ww. ‘een rits maken; rijten, scheuren’ < nhd. ritzen, ofschoon het niet uitgesloten is, dat het evenzo naast rijten gevormd is als splitsen naast splijten.

Kiliaen noemt een ander ww. ritsen ‘aansporen, ergens toe brengen’, dat wel zal stammen uit nhd. reizen, ohd. reizzen, reiʒen, mhd. reizen, reiʒen, een causatief bij rijten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rits 2 m. en v. (merk, ritsijzer), uit Hgd. ritze, verbaalabstr. van ritzen, intensief van reiszen: z. rijten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2rits ww.
1. Met haas beweeg. 2. Uitgelate, uitbundig baljaar, rinkink.
In bet. 1 uit verouderde Ndl. ritsen (1638). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Die WNT behandel 6 homonieme van Ndl. ritsen. Boshoff - Nienaber (1967) lê 'n semantiese verband met ritsen 'aanhits, opstook'. So 'n verband lyk egter onwaarskynlik. Betekenisooreenkoms met ritsen 'maak dat 'n mens wegkom' is meer voor die hand liggend. Op die moontlikheid van verwantskap met rijden word ook gewys. In S.Ndl. dialekwoordeboeke beteken ritsen o.a. 'wegloop, wegvlug, vinnig loop', almal bet. wat verwantskap met rijden nog waarskynliker maak. In Van Dale (1999) is ritsen 'n Bargoense woord met die bet. 'vinnig weggaan'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rits II: lawaaierig speel, rinkink, ravot; Ndl. ritsen; WNT (XIII 604 en vlg.) het 6 lemmas s.v. ritsen, waarvan alleen I in bet. “aanhits, opstook” sem. verb. skyn te hou met Afr. ww. “wild te kere gaan”.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

ritsen (beeldspraak waarbij gedacht moet worden aan het gebruik van een ritssluiting), verkeersgedrag waarbij verkeersstromen zich soepel samenvoegen; zo rijden dat andere automobilisten de ruimte hebben om vanaf de invoegstrook in te voegen. Het ritsen moet opstoppingen en irritaties voorkomen. Volgens Veilig Verkeer moet er in rijopleidingen meer aandacht komen voor de ritsvaardigheid van de bestuurder. Deze informele term komt al voor in een folder uit 1989 van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en de Nederlandse Vereniging van Wegenbouwers.

Ritsen vermindert de agressie en stress onder automobilisten en leidt daardoor tot een veiliger verkeersgedrag. Dat heeft een proef bij de Beneluxtunnel in Rotterdam uitgewezen, waarbij de automobilisten door middel van verkeersborden de juiste plaats van ritsen (gelijkmatig invoegen) werd aangegeven. (Trouw, 12/09/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut