Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ritselen - (een zacht ruisend geluid maken; op informele wijze regelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ritselen ww. ‘een zacht ruisend geluid maken; op informele wijze regelen’
Mnl. ristelen ‘een zacht ruisend geluid maken’ in Caphalus ... meynde, doe hi hoorde dat ristelen, Dat een dier daer woude nistelen ‘Caphalus dacht, toen hij het geritsel hoorde, dat daar een dier wilde nestelen’ [1470-90; MNW], waer hij dan bij herdichheit van winde eyn rijs hoert risselen ‘waar hij dan bij harde wind een tak hoort ritselen’ [1475-95; MNW-P]; vnnl. ritselen ‘id.’ in Roert soo veel tongen als 'er blaadren ritslen [1644; WNT]; nnl. ritselen (overgankelijk) ‘in orde maken, op informele wijze regelen’ in dat ritsel ik wel effe [1974; Endt].
Wrsch. een klanknabootsend woord, met nevenvormen risselen en ristelen. De uitgang -elen is een frequentatiefachtervoegsel, hoewel het grondwoord ritsen ‘ritselen’ pas later is geattesteerd [1666; WNT].
Vergelijkbaar zijn: nnd. risseln ‘motregenen’, nhd. rieseln ‘id.’; nzw. rissla ‘kabbelen; zeven’, nno. risle ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ritselen* [een zacht, onregelmatig geluid maken] {ristelen, risselen 1488} aannemend dat de eerste vorm de oudste is, zou het een iteratief kunnen zijn van een woord risten, oudnoors hrista [schudden] (vgl. rijs1), maar ook kan rijstelen oud zijn en ablauten met ristelen, terwijl risselen van een woord rissen [beven], zou kunnen komen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ritselen ww., mnl. ristelen, risselen (Kiliaen rijsselen mogelijk door een verkeerde etymologie van rijs), fri. risselje. — Ofschoon het een klankwoord is, staat het toch steeds in verbinding met het bewegen van bladeren en men kan dus wel uitgaan van een bet. ‘heen en weer bewegen, schudden’. In dit geval kan men ritselen als metathesis-vorm van ristelen opvatten, een iteratief van *risten, te vergelijken met on. hrīsta ‘schudden’ en verder risselen met oe. hrissan, hrisian ‘schudden’. Voor verdere aanknopingen zie: rijs.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ritselen ww. Kil.’s spelling rijsselen is wellicht een gevolg van de door hem aangenomen afl. van rijs. De mnl. vormen zijn ristelen, rijstelen, risselen (zoo nog dial., ook fri. risselje); de eerste vorm is wsch. de oudste; hij kan een frequentatief-vorm zijn van *risten = on. hrista “schudden” (zie rijs). Eventueel kan echter ook rijstelen oud zijn en met ristelen ablauten, en risselen zou van *rissen = os. *hrissian “beven” kunnen komen (zie rijs).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ritselen ono.w., Mnl. ristelen, rijstelen, intensieven gelijk On. hrista besproken bij rijs.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ritsel ww.
Saggies ruis.
Uit Ndl. ritselen (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ritsel: s.nw. en ww., sagte geruis; so ’n geruis maak; Ndl. ritselen (Mnl. ristelen/risselen, by Kil rijsselen), wsk. kn., maar mntl. verb. m. ristelen, “beweeg, roer, skud” (bv. v. blare).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ritselen (vroeger ook risselen of rijsselen), van den wt. ri = beven. Zie Rijs.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ritselen* een zacht, onregelmatig geluid maken 1644 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut