Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rist - (bundel (van vlas e.d.))

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rist, ris [bundel (van vlas e.d.)] {rijst(e), riste [bundel (bv. van vlas, uien)] 1380} vermoedelijk < latijn restis (4e nv. restem) [touw, koord, knoflooksteel], maar indien het een oorspr. germ. woord is, verwant met rij.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rist znw. v. m., mnl. rijste v. ‘bundel, pak (vooral van leien, of van vlas)’, Kiliaen rīste ‘bundel (vlas)’, rijste ‘rist (uien)’, mnd. rīste ‘streng vlas of hennip’ — Volgens Th. Frings Germ. Rom. 1932, 136 gaat dit woord op lat. restis ‘touw, strik’, in het Westromaanse gebied ook ‘uiensnoer’, terug en zou reeds in de Romeinse tijd te zamen met de aanplant van vlas en uien naar het gebied van de Neder-Rijn gekomen zijn. Daarvoor zou kunnen pleiten, dat het slechts lokaal verspreid is. Maar er is toch aanleiding te denken aan een germ. woord, dat in elk geval ernaast gestaan kan hebben, want de gedachte van aan een snoer geregen uien voert op een afl. van een vorm van rijgen en dan van een grondvorm *rīh-stō evenals resem < *raih-sma.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rist znw. Kil. riste “bundel (vlas)”, rijste “rist (uien)”, mnl. rijste v. “bundel, pak (vooral van leien, ook van vlas)”. De beide vormen zullen wel identisch zijn. = ohd. rîsta v. “bundel vlas” (nhd. dial. reiste, riste), mnd. rîste v. “id., pak leien”. Wellicht uit *rîχ-s-tô(n)- en verwant met rij. Voor de bet. vgl. ’t daar geciteerde reessem. Reest (ê) “rist” (Esschen) ontstond door kruising van rist en reesem, -el.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rist. Niet waarschijnlijk is de afl. (Frings Germ. Rom. 136) uit lat. restis ‘touw’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rist v., Mnl. riste + Ndd. rîste, risse, Mhd. rîste (dial. Hgd. reiste): wel een -st- afleid. van denz. wortel als rij.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rist bundel (van vlas e.d.) 1380 [MNW] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut