Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ril - (waterloop, geul, rug tussen voren)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ril1* [waterloop, geul, rug tussen voren] {1740} met verkleinings l, van rijt2 [waterloop].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ril znw. v. ‘natuurlijke waterloop; groeve, vore’, eerst sedert Kiliaen bekend, nnd. rille ‘vore, goot, bedding’, vgl. noord-holl. rel ‘muize- of mollegang’, maar ook de plaatsnaam Duinrel, fri. ril ‘enge doorgang, gang van een mol, paadje door het korenveld, geul’, ne. rill ‘beekje’. — Wegens de oude vorm Rīdula voor de normandische rivier Rille mag men uitgaan van de vorm *rīðulō-, rīðlō, verkleinwoord bij onfrank. rīth ‘beek’, mnd. rīde ‘beek, greppel’, mnl. rijt v. ‘sloot, wetering’ (gron. riet ‘buitendijkse geul’ met t < d), fri. ryde, ryd ‘brede greppel’, oe. rīð m. v., rīðe v. ‘stroom, beek’. Een dentaal-afl. van de idg. wt. *(e)rei, waarvoor zie: rijzen (IEW 330).

Formeel zou men ook kunnen denken aan een herkomst < *rizlō en zelfs uit *rin(ni), waarvoor aan te voeren zouden zijn ne. rindle ‘beekje’, oe. rynele, ne. runnel ‘beek’, deze dan bij rennen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ril (groeve, voor), nog niet bij Kil. = ndd. rille “vore, goot, bedding”, N.Holl. rel “muize- of mollegang”, fri. ril “enge doorgang, loopgang van een mol, paadje door een korenveld, geul”, eng. rill “beekje”. Wsch. < *riðlô(n)-, verwant met onfr. rîth m. “torrens” enz. (zie bij rijzen). Zie bij relmuis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ril v. (groeve), + Ndd. rille, Eng. rill (= goot), Fri. ril = geul, loopgang van een mol: misschien uit riþl-, met dimin. suff. bij Onfra. rîth, Ags. ríđe, Ndd. ride. Hgd. reide = waterloop, van wrt. rei (z. rijzen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ril ‘waterloop, geul, rug tussen voren’ -> Engels rill ‘beekje, geul’; Duits Rille ‘smalle stroom’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Deens rille ‘groef, richel, verdieping’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut