Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijzen - (zich oprichten, in hoogte of kracht toenemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rijzen ww. ‘zich oprichten, in hoogte of kracht toenemen’
Mnl. risen ‘omhooggaan; ontstaan’ in Maecte god risende de mane ‘deed God de maan opkomen’, Mettien rees daer een tempest ‘onmiddellijk stak er een storm op’ [beide 1285; VMNW], vander herden risen ‘van de aarde opstijgen’, twist jof orloghe dat gheresen es ‘onenigheid of oorlog die ontstaan zijn’ [1287; VMNW]; vnnl. Oft dit gebak nu zoo wel gerezen zal zijn [1633; iWNT]; nnl. Wanneer het Water boven een bepaald Peil mogte ryzen [1746; iWNT].
Os. rīsan ‘opstaan’ (mnd. risen); ohd. rīsan ‘vallen, stijgen’ (mhd. rīsen); oe. rīsan ‘opstaan’ (ne. rise); ofri. rīsa ‘ontstaan, opkomen’ (nfri. rize); on. rísa ‘zich verheffen’ (nno. risa); got. ur-reisan ‘opstaan’; < pgm. *rīsan- (< ouder *reisan-) ‘zich in beweging zetten’. In het Oudhoogduits is het woord naast ‘stijgen’ ook ‘vallen’ gaan betekenen. Bij dit woord hoort ook het causatief *raisjan- ‘oprichten, doen verheffen’, waaruit: oe. rǣran; on. reisa (nzw. resa); got. ur-raisjan.
Verwant met: Armeens ari (imperatief) ‘verhef je’; Hittitisch arāi ‘opheffen, zich verheffen’; < pie. *h1rei-, *h1roi- (LIV 252). In het Germaans met s-uitbreiding. De aard van de laryngaal is niet zeker; mogelijk, maar op semantische gronden zeer twijfelachtig, is dit dezelfde wortel als pie. *h3reiH- ‘draaien, wervelen, borrelen’ (LIV 305), waarvoor zie → rennen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijzen* [zich oprichten] {risen 1285} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels risan, oudfries, oudnoors rísa, gotisch (ur)reisan; buiten het germ. grieks orinein [in beweging zetten], vgl. ook reis1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijzen ww. mnl. rîsen ‘opkomen, voor den dag komen, voortkomen, rijzen, vallen’, os. rīsan ‘opstaan’ (mnd. rīsen ook ‘vallen’), ohd. rīsan ‘vallen, stijgen’, ofri. rĭsa ‘ontstaan, opkomen’, oe. rīsan (ne. rise), on. rīsa ‘zich verheffen’, got. ur-reisan ‘opstaan’. — Het behoort tot de idg. wt. *(e)rei vgl. oi. riṇāti, ríṇvati ‘laat stromen’, gr. orínō ‘zet in beweging’, oiers rīan ‘zee’, osl. riną ‘stromen’ (IEW 331).

Op germ. gebied zijn nog toe te voegen het caus. *raizjan vgl. mnl. rêren, ohd. rêren ‘doen vallen’, oe. rœran (ne. rear) ‘oprichten’ en met herstelde s on. reisa (> ne. raise), got. ur-raisjan ‘doen opstaan’. Verder de onder reis genoemde woorden en mhd. riselen (nhd. rieseln) ‘druppelen, regenen’, zomede mhd. bluotrisec, on. blōðrisa ‘met bloed bespat’ en ofri. blōdrisne ‘bloedende wonde’. — Verder voegt men toe ohd. garīsan, oe. (ge)rīsan ‘betalen’ en mhd. risch ‘flink, snel’. Voor de bet. denkt men dan een overgang van ‘vallen’ > ‘bevallen’. — De opvallende tegenstelling in de bet. ‘rijzen’ en ‘vallen’ kan men verklaren uit een oorspr. bet. ‘in beweging zetten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rijzen ww., mnl. rîsen “opkomen, voor den dag komen, voortkomen, rijzen, vallen”, ook met causatieve bet. = ohd. rîsan “vallen, stijgen”, os. rîsan “opstaan” (mnd. rîsen ook “vallen”), ofri. rîsa “ontstaan, opkomen”, ags. rîsan (eng. to rise), on. rîsa “zich verheffen”; got. de samenst. ur-reisan “opstaan”. Ohd. os. gi-rîsan, mnl. (zeldzaam) gherîsen, ags. (ge)rîsan “betamen, behooren, passen. schikken” kan hierbij hooren (eventueel niettegenstaande ’t ohd. zwakke praet. ’t zelfde woord zijn) met de oorspr. bet. “tóévallen, toekomen” of “samenvallen”. Verder bij rijzen ’t causativum mnl. (bij Gelre) rêren, ohd. rêren “doen vallen”, ags. ræ̂ran “oprichten” (eng. to rear); met s naar rîsa resp. ur-reisan: on. reisa (> eng. to raise), got. ur-raisjan “doen opstaan”. Hierbij ook reis en mhd. riselen “druppelen, regenen” (nhd. rieseln), ofri. blôd-risne v. “bloedende wond”, on. bloð-risa “met bloed bespat”. Onzeker, maar mogelijk is de combinatie van germ. rī̆s- met idg. rī̆- “stroomen”, waarvan onfr. rîth m. “torrens”, mnd. rîde v. “beek, greppel”, dial. mnl. rijt v. “sloot, wetering”, fri. ryd(e) “ breede greppel”, ags. rið m. v., rîðe v. “stroom, beek” (vgl. nog ril), ier. rian “zee”, gall. Rênus “Rijn”, lat. rîvus “beek”, rîtus “gebruik, ritus”, obg. sŭ-rojĭ “het samenvloeien”, oi. riṇā́ti, ríṇvati “hij laat stroomen, laat gaan”, rîtí- “stroom, loop, loop der dingen, wijze”. Ook als wij de bet. “stroomen” uit “zich bewegen” afleiden en gr. orīnō “ik beweeg” (trans.), obg. rinąti, rějati “stooten” vergelijken, blijft de combinatie van rijzen met rī̆- mogelijk, maar onzeker. Rī̆- “bewegen” kan met de basis ere- (zie rennen) verwant zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rijzen. Dial. mnl. rijt v. ‘sloot, wetering’ (= gron. riet ‘geul in buitendijkse gronden’) met t in verbogen vormen; hierbij kan invloed van rijten hebben meegewerkt, doch vgl. riet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijzen ono.w., Mnl. risen, Os. rîsan + Ohd. rîsan = klimmen, dalen (Mhd. rîsen), Ags. rísan (Eng. to rise), Ofri. rísa, On. id., Go. reisan: Germ. wrt. rîs, misschien een uitbreiding van Idg. wrt. rei̯ = stroomen: Skr. rināti = laten stroomen, Lat. rivus = beek, Oier. rian = zee, Gall. Renus = Rijn. De bet. was die der loodrechte richting, zoowel naar beneden als naar boven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

rijzen, ww.: uitvallen. Br. rijzen ook ‘dalen, zacht naar beneden komen, neerwaarts glijden’. Mnl. risen ‘omhooggaan’, Ndl. rijzen ‘zich oprichten, omhooggaan’. Vnnl. evenwel rijsen, op-rijsen ‘opstaan, stijgen’, naast rijsen, af-rijsen ‘afglijden, dalen’ (Kiliaan). Maar ook Ohd. rîsan, rîsen, Mhd. rîsen betekende niet alleen ‘stijgen’, maar ook ‘dalen’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

rijzen, riezen, rezen, ww.: dalen, zacht naar beneden komen, neerwaarts glijden, uitvallen; glijden (op glijbaan). Mnl. risen ‘omhooggaan’, Ndl. rijzen ‘zich oprichten, omhooggaan’. Vnnl. evenwel rijsen, op-rijsen ‘opstaan, stijgen’, naast rijsen, af-rijsen ‘afglijden, dalen’ (Kiliaan). 1776 rijzen ‘afvallen, doorvallen’, Meierij (Heeroma). Maar ook Ohd. rîsan, rîsen, Mhd. rîsen betekende niet alleen ‘stijgen’, maar ook ‘dalen’. Afl. rijsaf, afrijs, afrijzer ‘glijbaan’; samenst. rijzebaan ‘glijbaan’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2rys ww.
1. Orent staan, uitsteek na bo. 2. Omhooggaan, styg. 3. Bo die horison verskyn, opkom. 4. 'n Hoër graad of peil bereik.
Uit Ndl. rijzen (Mnl. risen in bet. 1 - 3, 1548 in bet. 4). Die grondbetekenis is 'in beweging kom', nog bewaar in die ww. reizen (sien 2reis). Die grondbetekenis het in twee rigtings ontwikkel, nl. 'van onder na bo beweeg' en 'van bo na onder beweeg'. In Mnl. word beide bet. nog aangetref, en ook in gewestelike Ndl.
Eng. raise, rise.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

reizn, rizzen tillen (Groningen). = got. (us)hrisjan ‘afschudden’, os. hrisian ‘beven’. De oorspronkelijke betekenis moet wel zijn geweest ‘schuddend of bevend tillen’.
W. de Vries 1895, 64, Ter Laan 746.

rieze I stuipen (Gennep, Achterhoek). ~ nl. rijzen (= mnl. risen ook ‘vallen’). Het woord bevat een herinnering aan de oude vochtenleer, die allerlei ziekten toeschreef aan uit de hersenen vallende vochten.
Van Dinter 150, WALD 1993, 206.

rieze II, raeze uitvallen (van naalden of graan), zacht vallen (Venray, Oost-Vlaanderen, Leuven, Huissen, Kempen). = rijzen ‘stijgen’. Grondbet. wschl.: van niveau veranderen.
Huissen 114, Goemans 373, Joos 553, Schols/Linssen 372, Hoppenbrouwers (1996) 278.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rys II: opkom, styg; gis (bv. deeg); Ndl. rijzen (Mnl. rīsen), Eng. rise (verb. m. Eng. raise en rear), hou mntl. verb. m. Gr. orinein, “beweeg, roer, skud”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rijzen, van den Germ. wt. ris = loodrechte beweging, zoowel dalend als stijgend, doch ’t meest ’t laatste. De neergaande beweging vinden wij nog in het Hgd. freq. rieseln = neerdruppelen. – Afleidingen zijn: reis en reiziger (z. d. w.), en rijzig, letterlijk: omhoog gaande, bijv. een rijzige gestalte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijzen ‘zich oprichten, stijgen’ -> Menadonees rèis ‘opbloeien’; Negerhollands ris ‘optillen, optrekken, ophijsen’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands risi ‘zich oprichten’; Papiaments reis ‘zich oprichten (van deeg, een zaadje, van een buik e.d.); (verouderd) opzwellen’; Surinaams-Javaans rèis, ngerèis ‘zich oprichten, laten opkomen (motor e.d.)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijzen* zich oprichten 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

760. De haren rijzen (of staan) mij te berge,

d.w.z. ten gevolge van schrik, ontzetting en afgrijzen krijg ik een gevoel alsof mijne haren zich oprichten; lat. comae horrent; mihi pili inhorruerunt. Ook in middeleeuwen dat mi alle mine haer upwaert stonden van groten vare (Reyn. I, 2304); al mijn hair staet mi te storme van aen te sien (Reyn. II, 6662). Vgl. ook Job. 4, 15: Een Geest: hy dede het hair mijnes vleesches te berge rijsen; Ps. CXIX, 120; Sart. I, 7, 18: Phocensium execratio. Vervloeckingh dat een 't haer op 't hooft rijst; Vierl. 218: Mijn haer stont mij overeijnde bij maniere van spreken; Hofwijck, vs. 430; 1110; Adam in Ball. vs. 1237: Mijn haer rijst overendt; Lucifer, vs. 1537: Hoe ryzen al myn haeren! Ndl. Wdb. II, 1866; Teirl. II, 6: Zijn haar staat rechte; Wander II, 227: Es stehen (steigen) ihm die Haare zu Berge; das ist haarsträubend; fr. les cheveux se dressent sur la tête; eng. his hair stands on end (or upright).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

er-3 : or- : r- ‘sich in Bewegung setzen, erregen (auch seelisch, ärgern, reizen); in die Höhe bringen (Erhebung, hochwachsen), z. T. auch von Bewegung nach abwärts’, ursprünglich athematische Wurzel mit terminativem Aspekt. Basenformen er-, ere-, erǝ- (?), erei-, ereu- und (unter besond. Artikel) eres-, eros- ‘Erhebung’, ernos- ‘Emporgeschossenes’, Partiz. or-meno-, r̥-to-.

Zusammenfassungen bei Persson Beitr. 281 ff., 636 ff., 767 ff., 836 ff.
a. Basisformen er-, ere- (einschließlich paradigmatisch damit vereinigter i- und u-Formen):
Ai. redupl. Präs. íy-ar-ti ‘setzt in Bewegung’, Med. īrtē (*i-er-); gthav. īratū ‘er soll sich erheben’; ai. intensives Präs. álarti; von ereu- (s. unten S. 331) r̥ṇṓti r̥ṇváti ‘erhebt sich, bewegt sich’ (ὄρνῡμι), ā́rta (vgl. ὦρτο), ā́rata (vgl. ὤρετο; themat. wie rantē, ranta), Perf. āra : ὄρ-ωρα, Fut. ariṣyatí, Partiz. r̥tá- (īrṇá- ‘bewegt, erregt’ mit Verschleppung des ī aus īrta oder echte Form einer schweren Basis);
av. ar- ‘(sich) in Bewegung setzen, hingelangen’, Präs.-St. ar- : ǝrǝ-, iyar- : īr- (wie ai. íyarti : īrta), Kaus. āraya-, Partiz. -ǝrǝta-;
sk̑o-Präs. ai. r̥ccháti ‘stößt auf etwas, erreicht’, woneben *re-sk̑ō in apers. rasatiy ‘kommt, gelangt’, np. rasad ds.;
ai. sam-ará- m., sam-áraṇa- n. ‘Kampf, Wettstreit’, av. ham-arǝna-, apers. ham-arana- n. ‘feindliches Zusammentreffen, Kampf’, av. hamara- m. (und mit th-Formans hamǝrǝθa- m.) ‘Gegner, Widersacher’; ai. írya- ‘rührig, kräftig, energisch’ (kann zur i-Basis gehören), irin- ‘gewaltig, gewaltsam’, ártha- n. m. ‘(*wozu man gelangt)’ ‘Angelegenheit, Sache, Geschäft; Gut, Vermögen, Vorteil’, av. arθa- n. ‘Sache, Angelegenheit, Obliegenheit, Rechtsstreit’;
ai. r̥tí-, ŕ̥ti- f. ‘Angriff, Streit’, av. -ǝrǝti- ‘Energie’ (vgl. abg. ratь);
ai. ārta- ‘betroffen, versehrt, bedrängt, leidend’, ārti- f. ‘Unheil, Leiden’ (*ā-r̥ta-, -r̥ti-);
ai. árṇa- ‘wallend, wogend, flutend’, m. ‘Woge, Flut’, árṇas- n. ‘wallende Flut’ (formell = gr. ἔρνος n.; vgl. S. 328 ahd. runs), arṇavá- ‘wallend, wogend’; m. ‘Flut, wogende See’ (u̯o-Weiterbildung zu árṇa-? oder in alter formantischer Beziehung zu r̥ṇóti? Letzteres ist sicher für:) av. arǝnu- m. ‘Kampf, Wettkampf’ (: ahd. ernust S. 331);
von der themat. Wurzelf. (e)re- ai. ráṇa- m. n. ‘Kampf’ (versch. von raṇa- m. ‘Lust’) = av. rǝ̄na- n. ‘Treffen, Kampf, Streit’; av. rāna-, rąna- m. ‘Streiter, Kämpfer’;
arm. y-aṙnem ‘erhebe mich, stehe auf’; nach Pisani Armen. 4 dazu ore-ar ‘Leute’ (s. unten lat. orior); mit -dh- (vgl. S. 328 ἐρέθω, ἐρεθίζω, ὀρο-θύνω): y-ordor ‘pronto’, yordorem ‘ermuntere, wecke, reize’; arm ‘Wurzel’ (: ὄρμενος); ordi, Gen. ordvoy ‘Sohn’ (*ordhii̯o);
gr. ὄρνῡμι ‘errege, bewege’ (: ai. r̥ṇṓti; vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 696β; das о nach ὀρέομαι?), Aor. ὦρσα, ὤρορον, ὄρσω, Med. ὄρνυμαι, ὦρτο ‘erhob sich’, Fut. ὀροῦμαι, them. Aor. ὤρετο, Partiz. ὄρμενος, Perf. ὄρωρα ‘bin erregt’; mit ορ- als Iterativvokalismus ὀρέ-ομαι, -οντο ‘aufbrechen’, mit er- noch ἔρετο· ὡρμήθη Hes., ἔρσεο· διεγείρου Hes., ἔρσῃ· ὁρμήσῃ (die dann durch ὤρετο, ὄρσεο verdrangten Formen); ein Präs. *ἴρνυμι (wie κίρνημι) folgt aus dem kret. Ζεὺς ‘Επιρνύτιος (Schwyzer Gr. Gr. I 695); -ορτος in νεορτός ‘neugeboren’, θέορτος ‘himmlisch’, usw.; Κυν-, Λυκ-όρτας, Λᾱ-έρτης; hom. οὖρος ‘günstiger Fahrwind’ (*όρος, ‘das Schiff treibend’), ὄρος m. ‘Antrieb’;
mit gh-Erweiterung ἔρχομαι ‘komme’ (nur Präs.), ὀρχέομαι ‘tanze’ (Schwyzer Gr. Gr. I 702); s. unten air. regaid;
ὄρμενος ‘Schoß, Stengel’, über ὄραμνος ‘Zweig’, ὀρόδαμνος, ῥάδαμνος ds., s. Schwyzer Gr. Gr. I 3132;
er- in ἔρνος (ἕρνος, Schwyzer Gl. 5, 193) ‘Schößling, Zweig’ (‘*Emporgeschossenes’, wie norw. runne, rune ‘Zweig’: formal = ai. árṇas- n.); ἐρέας· τέκνα. Θεσσαλοί Hes., ἐρέθω, ἐρεθίζω ‘errege, beunruhige, reize’ (ὀροθύνω ‘rege auf, muntere auf, reize’);
Von einem es-St. *eros ‘Erhebung’ aus: ai. r̥ṣvá- ‘hoch’, gr. ὄρος n. ‘Berg’ (der Vokalismus nach ὄρνῡμι, z. T. vielleicht auch nach ὄρρος abgeändert); über οὖρος = ὄρος s. bes. Schulze Qu. ep. 407 ff.; ist dor. ὦρος und att. ᾽Ωρείθυια mit ὦμος aus *ŏmsos zu vergleichen und auf (nach einem Adj. *ors-os oder *ors-u̯os : ai. r̥šva- umgebildetes) *ὄρσος zurückzuführen?; gr. ὀρσοθύρη ‘Hintertüre’ (wohl als erhöhter Notausgang??), bei Hes. εἰρεθύρη· ὀρσοθύρα;
über gr. ὄρρος ‘Hinterer’ s. unter ers-;
phryg. ειροι ‘Kinder’ (Jokl Eberts Reallex. 10, 151a);
alb. jerm ‘rasend, wahnwitzig’ (*er-mo-); über përrua ‘Flußbett’ s. unten;
lat. orior, -īrī, ortus sum ‘sich erheben, aufsteigen, entstehen, entspringen, geboren werden’ (ortus = ai. r̥tá-; das o von orior entweder aus ortus oder aus dem Аor.-St., EM2 713), ortus, -ūs ‘Aufgang’, orīgo ‘Ursprung’ (kann wie orior auf der i-Basis beruhen), umbr. ortom ‘ortum’, urtas ‘ortae, surgentes’, urtes ‘surgentibus’;
air. Imper. eirg ‘geh!’ (*ergh-e), Fut. regaid (*rigāti, idg. *r̥gh-); s. oben gr. ἔρχομαι; kelt. or- in mcymr. cyf-or m. ‘Truppe’, dy-gyf-or ‘Erhebung’, ad-orth ‘Erregung, Hilfe’(*ati-or-to-), usw. (Loth RC 40, 355); vgl. auch Ifor Williams RC 43, 271 (über mir. or f. ‘Ufer’ s. Pedersen KG. I 206 f.);
germ. *ermana-, *irmino ‘groß’ (: ὄρμενος, ksl. raměnъ, s. Brückner KZ. 45, 107) in ahd. irmin-deot usw. (s. oben S. 58); aisl. ern (*arnia-) ‘tüchtig, energisch’, got. arniba adv. ‘sicher’ (aber aisl. ārna, -aða ‘gehen, fahren, rennen’ sekundär aus ǣrna = got. airinōn), ahd. ernust ‘Kampf, Ernst’, ags. eornost ‘Ernst, Eifer’ (: av. arǝnu- ‘Kampf’); mit Bedeutung ähnlich gr. ἐρέας· τέκνα Hes., vielleicht urnord. erilar, aisl. jarl, ags. eorl, as. erl ‘Mann’ (s. unter er- ‘Adler’) ; aisl. iara ‘Streit’ (*era);
got. rinnan, rann ‘rennen, laufen’ (*re-nu̯-ō), urrinnan ‘aufgehen, von der Sonne’, aisl. rinna ‘fließen, rennen’, ahd. as. rinnan ‘fließen, schwimmen, laufen’, ags. rinnan und iernan, arn ds.; Kaus. got. urrannjan ‘aufgehen lassen’, aisl. renna ‘laufen machen’, as. rennian ds., ahd. mhd. rennen, rante ‘rennen’ (ein nach rinnan mit nn ausgestattetes *ronei̯ō = slav. roniti unten S. 329);
schwundstufig got. runs m. (i-St.), ags. ryne m. ‘Lauf, Fluß’, aisl. run n. ‘Flüßchen’, got. garunjō ‘Überschwemmung’, ahd. runs, runsa ‘Lauf des Wassers, Fluß’, runst f. ‘das Rinnen, Fließen, Flußbett’; got. garuns (St. garunsi-) f. ‘Straße, Markt’ (eig. ‘Ort, wo das Volk zusammenläuft’; germ. runs-: ai. árṇas-). In der Anwendung auf das Hochkommen, Wachstum der Pflanzen (vgl. ἔρνος, ὄρμενος) aisl. rinna ‘emporschießen, wachsen’, norw. runne, rune ‘Zweig’ und schwed. dial. rana ‘in die Höhe schießen’, norw. rane ‘Stange’, mhd. ran (ā) ‘schlank, schmächtig’, ahd. rono ‘Baumstamm, Klotz, Span’; ‘Erhebung’ überhaupt in norw. dial. rane ‘Spitze, hervorragender Felsen, Bergrücken’, aisl. rani ‘Schnauze, Rüssel’;
air. rind (*rendi-) ‘Spitze’; zur d(h)-Erweiterung s. unten;
Diese Wurzelform *re-n- (vielleicht aus einem Präs. *re-neu-mi, *re-nu̯-o erwachsen) sucht man auch in alb. përrua ‘Flußbett, Bachbett’ (për-rēn-, Dehnstufe), prrua ‘Quelle’ (*prër-rua ‘Ausfluß’) und in abg. izroniti (bsl. *ranei̯ō) ‘effundere’, russ. ronítь ‘fallen machen oder -lassen’, serb. ròniti ‘Tränen vergießen, schmelzen, harnen’, got. -rannjan; vgl. Trautmann 236 f.;
d(h)-Erweiterung im lit. Partiz. nusirendant, nusirendusi von der untergehenden Sonne, rindà ‘Rinne’ (stógo r. ‘Dachrinne’), ‘Krippe’, lett. randa ‘Vertiefung, wo das Wasser abläuft’;
abg. ratь, russ. ratь, skr. rȁt ‘Streit’ (*or(ǝ)ti-), abg. retь ds. ‘aemulatio’, russ. retь ‘Zank, Hader’, abg. retiti ‘contendere’, russ. retovatьśa ‘sich ärgern’, retívyj ‘eifrig, hitzig, heftig, feurig’ (auf thematisches (e)re- oder *er-ti- zurückgeführt, was durch russ. dial. jeretítьśa ‘sich ärgern, zanken’ gestützt wird); über ksl. raměnъ s. oben S. 58 u. 328.
Aus dem Hitt. hierher (Pedersen Hitt. 5 f., 45, 91 f., 122) ar- in
1. a-ra-a-i (arāi) ‘erhebt sich’, daneben a-ra-iz-zi ds., Prät. 3. Pl. [a]-ra-a-ir;
2. a-ri ‘kommt’ (altes Perf.), Prät. a-ar-ta (arta) oder ir-ta;
3. Med. Präs. ar-ta-ri ‘stellt sich, steht’ (vgl. gr. ὄρωρα : lat. orior), 3. Sg. Prät. a-ar-aš (ars) ‘kam an’;
4. Iterativ a-ar-aš-ki-it (arskit) ‘gelangte wiederholt’ (vgl. oben ai. r̥ccháti);
5. Kausativ (vgl. oben S. 61) ar-nu-uz-zi (arnuzi) ‘bringt wohin, setzt in Bewegung’ (r̥-nu-; vgl. oben ai. r̥ṇōti); Imper. 2. Sg. ar-nu-ut (arnut) = gr. ὄρνυ-θι, Verbaln. a-ar-nu-mar (arnumar);
inwieweit toch. A ar-, В er- ‘hervorbringen, verursachen’, mit sk-Kaus. ars-, ers- ds., nach Meillet (MSL. 19, 159) hierher gehören, ist unsicher; sicher fern bleiben AB ar-, ār- ‘aufhören’, mit sk-Kaus. ars-, ārs- ‘verlassen’ (ungenau Van Windekens Lexique 6, 22).
b. Erweiterung er-ed- (d-Präsens?): s. ered- ‘zerfließen’, ai. árdati, r̥dáti ‘fließt usw.’, auch ‘beunruhigt’; mit dem Kaus. ardáyati ‘macht fließen; bedrängt, quält, tötet’ wäre aisl. erta (*artjan) ‘aufstacheln, anreizen, necken’ gleichsetzbar, doch ist Verknüpfung mit *ardi- ‘Spitze, Stachel’ (oben S. 63) mindestens gleichwertig; eine zweisilbige Form in ἀράζουσι· ἐρεθίζουσιν Hes., ἄραδος ‘Erregung’;
weiter hierher oder zu er-5 ai. rádati ‘kratzt, ritzt, gräbt, hackt’, ví-radati ‘zertrennt, eröffnet’;
vielleicht auch apr. redo ‘Furche’ (Persson Beitr. 667).
c. Erweiterung er-edh-: s. oben S. 327 ἐρέθω usw. u. unten S. 339.
d. Basis erei-; und reiǝ- : rī-; roi̯o-s, rī-ti- ‘Fließen’.
Ai. írya- s. oben S. 327;
ai. riṇā́ti, ríṇvati (áriṇvan) ‘läßt fließen, entlaufen, entläßt’, rīyatē ‘gerät ins Fließen, löst sich auf’, rīṇa- ‘in Fluß geraten, fließend’, rītí- ‘Strom, Lauf, Strich; Lauf der Dinge, Art, Weise’ (letztere Bed. auch in mir. rīan ‘way, manner’), rit- ‘entrinnend’, raya- m. ‘Strömung, Strom, Lauf, Eile, Heftigkeit’, rētas- n. ‘Guß, Strom, Same’, rēṇú- m. ‘Staub’ (: aruss. rěnь ‘Sandbank’); zum u-Suffix vgl. unten lat. rīvus;
arm. ari ‘stehe auf!’ (Persson Beitr. 769) Zu y-aṙnem, S. 327;
gr. lesb. ὀρί̄νω, (*ὀρῑ-νι̯ω) ‘setze in Bewegung, errege, reize zum Zorn’; ἔρις, -ιδος ‘Streit’ (vielleicht im i zu unserer Wurzelform, falls nicht besser nach Schwyzer Gl. 12, 17 zu ἐρείδω ‘stütze, stemme, stoße, dränge’); ark. ἐρινύειν ‘zürnen’ aus ᾽Ερῑνύς eig. ‘die den Mörder verfolgende, zürnende Seele des Ermordeten’ (??);
alb. geg. rîtë ‘feucht, naß’, eig. ‘*fließend’ (*rinëtë : ai. riṇā́ti, slav. rinǫti);
lat. orior, orīgo s. oben; rīvus (*rei-u̯o-s) ‘Bach’; in dem abg. rьvьnъ ‘Nebenbuhler’ entsprechender Bedeutungswendung rīvīnus und rīvālis ‘Nebenbuhler in der Liebe’ (letztere Form Umbildung nach aequalis, sōdālis), eigentlich ‘Bachnachbar’;
wahrscheinlich hierher irrītāre ‘erregen, aufbringen, erbittern’, prorītāre ‘hervorreizen, durch Reiz hervorbringen, anreizen, anlocken’, (wohl Intensiva zu einem *ir-rī-re);
ir. rīan ‘Meer’ und (vgl. ai. rītí-) ‘Art, Weise’, gall. Rēnos (*reinos) ‘Rhein’ (ob auch nach Stokes KZ. 37, 260 ir. riasc ‘a marsh’, rīm ‘schlechtes Wetter’??), cymr. rhidio ‘coire’ (: ags. rīð, ai. rītí-ḥ), air. riathor, cymr. rhaiadr, acymr. reatir ‘Wasserfall’ (*rii̯a-tro-);
ags. rīð m. f., rīðe f. ‘Strom, Bach’, as. rīth m. ‘torrens’, mnd. rīde f. ‘Bach, Wasserlauf’, nhd. -reid(e) in Ortsnamen; Dimin. (*rīþulōn) ndd. rille ‘Furche nach Regenwasser, Rinne’; weiters ags. ā-rǣman ‘erheben, sich erheben’, mengl. rǭmen, engl. roam ‘umherstreifen’, aisl. reimuðr ‘Umherstreifen’, reimir ‘Schlange’, þar er reimt ‘da ist es nicht geheuer, spukt’, reima ‘infestare’ (Bed. wie abg. rijati ‘stoßen’). Über rinnan s. oben.
Mit germ. s-Erweiterung: got. urreisan ‘aufstehen’, aisl. rīsa, ags. as. rīsan ‘sich erheben’, ahd. rīsan, mhd. rīsen ‘steigen, fallen’; ahd. reisa ‘Aufbruch, Zug, Kriegszug, Reise’, got. urraisjan ‘aufstehen machen, aufrichten, erwecken’, aisl. reisa ds., ags. rǣran ‘erheben, aufrichten, errichten’, ahd. rēren ‘fallen machen, herablaufen machen, vergießen’; ndd. rēren ‘fallen’, mhd. riselen ‘tropfen, regnen’, nhd. rieseln, mhd. risel m. ‘Regen’, aisl. blōð-risa, mhd. bluotvise ‘blutbespritzt’, afries. blōdrisne ‘blutende Wunde’; aus ‘fallen’ wird ‘gefallen’ in ags. (ge)rīsan ‘ziemen’, ahd. garīsan ‘zukommen, geziemen’ (vgl. die s-Erw. abg. ristati), mhd. risch ‘hurtig, schnell’ (vgl. abg. riskanije);
lit. rý-tas ‘Morgen’ (‘*Sonnenaufgang’, vgl. got. urreisan), lett. rietu, -ēju, -ēt ‘hervorbrechen, aufgehen (z. B. vom Tag), hervorströmen’, riete ‘Milch in der Mutterbrust’ (vgl. formal ai. rēta-);
slav. *rai̯a- m. ‘Strömung’ (: oben ai. raya-ḥ m. ‘Strom, Lauf’) in abg. izrojь ‘Samenerguß’, sъrojь ‘Zusammenfluß’, naroj ‘Andrang’, roj ‘Bienenschwarm’ (*roi̯o-s); dazu rěka (*roi-kā) ‘Fluß’; slav. *rēi̯ō ‘stoße’ in aksl. rějǫ, rějati ‘fließen’ (nslav.) und ‘stoßen, drängen’ (wie ὀρί̄νω ‘bewege’); dazu ablautendes aksl. vyrinǫti ‘ἐξωθεῖν’, rinǫtisę ‘ruere’; aruss. rěnь ‘Sandbank’, klr. riṅ ‘Sand, Flußgeröll’ (vgl. ai. rēṇú-); in anderer Bed. (s. oben zu lat. rīvīnus) abg. rьvьnъ ‘Nebenbuhler’ rьvenije ‘ἔρις, ἐρθεία’, čech. řevniti ‘nacheifern’, poln. rzewnić ‘bewegt machen’.
Mit s-Erw. bsl. *reisti̯ō in abg. rištǫ, ristati ‘laufen’, riskanije ‘cursus’, lit. raĩstas (‘Laufzeit’ =) ‘Brunstzeit’, lett. riests ds., lit. rìstas ‘schnell’, riščià Instr. Sg. ‘im Galopp’.
e. Basis ereu-; er-nu- ‘Wettkampf’, or-u̯o- ‘eilig’.
Ai. r̥ṇṓti (Perf. āra aber idg. *ōra), arṇavá-; av. arǝnu- s. oben S. 327;
ai. árvan-, árvant- ‘eilend, Renner’, av. aurva-, aurvant- ‘schnell, tapfer’; vielleicht av. auruna- ‘wild, grausam, von Tieren’; sehr unsicher ai. rū-rá- ‘hitzig, vom Fieber’;
gr. ὄρνῡ-μι, οὖρος s. oben; altes Kausativ ὀρούω ‘stürze mich, stürme los’, ἀνορούω ‘springe auf’ (wohl als *ορου[σ]ω zur s-Erw., s. unten); vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 683;
lat. ruō, -ere ‘rennen, eilen, einherstürmen’;
mir. rūathar (*reu-tro-) ‘Ansturm’, cymr. rhuthr ds., air. (a)e ‘Held’ (*reu-i̯o-); hierher die gall.-brit. FlN *Arvā, engl. Arrow, frz. Erve, Auve (*r̥u̯ā); messap. FlN Arvō;
as. aru, ags. earu ‘hurtig, bereit, flink’, aisl. ǫrr ‘rasch, freigebig, (*arwa- = av. aurva-; hierher als ursprüngl. ‘freigebig’ vielleicht auch got. arwjō ‘unentgeltlich, umsonst’, ags. earwunga, ahd. ar(a)wūn ‘gratis, frustra’, arod ‘kraftvoll, flink’; ahd. ernust s. S. 328.
ags. rēow ‘aufgeregt, stürmisch, wild, rauh’, got. unmana-riggws ‘wild, grausam’.
Erweiterung reu-s-:
Ai. róṣati, ruṣáti ‘ist unwirsch’, ruṣitá-, ruṣṭá- ‘ergrimmt’;
schwed. rūsa ‘daherstürmen, eilen’, mnd. rūsen ‘rasen, toben, lärmen’, rūsch ‘Rausch’, aisl. rosi ‘Sturmbö’, raust ‘Stimme’, aschwed. ruska ‘hervorstürmen, eilen’;
[aber got. raus n., mit gramm. Wechsel aisl. reyrr m., ahd. rōr ‘Schilfrohr’, rōrea ‘Röhre’(*rauziōn), mit Stammbetonung (wie got.) schwed. rysja, ahd. rūssa, rūsa, riusa f. ‘Reuse’, weitergebildet mit k-Suffix ags. rysc f., mhd. rusch(e) f. ‘Binse’, bleiben wohl fern];
lit. ruošùs ‘geschäftig, tätig’, lett. ruošs ds., lit. ruošiù, ruošiaũ, ruõšti ‘besorgen’, reflex. ‘sich bemühen’;
slav. *ruchъ in russ. ruch ‘Unruhe, Bewegung’, rúchnutь ‘fallen, stürzen’, poln. čech. ruch ‘Bewegung’, ablaut. čеch. rychłý ‘baldig, geschwind’, dazu Kausat. slav. *rušiti ‘umstürzen’ in aksl. razdrušiti ‘zerstören’, russ. rúšitъ ds., usw.

WP. I 136 ff., Schwyzer Gr. Gr. I 516 b, 694, 702, 719, 740, 749, Trautmann 240 f., 242, 243, 246, WH. I 64 f., 416 f., 719, II 222 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal