Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijzen - (zich oprichten, in hoogte of kracht toenemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rijzen ww. ‘zich oprichten, in hoogte of kracht toenemen’
Mnl. risen ‘omhooggaan; ontstaan’ in Maecte god risende de mane ‘deed God de maan opkomen’, Mettien rees daer een tempest ‘onmiddellijk stak er een storm op’ [beide 1285; VMNW], vander herden risen ‘van de aarde opstijgen’, twist jof orloghe dat gheresen es ‘onenigheid of oorlog die ontstaan zijn’ [1287; VMNW]; vnnl. Oft dit gebak nu zoo wel gerezen zal zijn [1633; iWNT]; nnl. Wanneer het Water boven een bepaald Peil mogte ryzen [1746; iWNT].
Os. rīsan ‘opstaan’ (mnd. risen); ohd. rīsan ‘vallen, stijgen’ (mhd. rīsen); oe. rīsan ‘opstaan’ (ne. rise); ofri. rīsa ‘ontstaan, opkomen’ (nfri. rize); on. rísa ‘zich verheffen’ (nno. risa); got. ur-reisan ‘opstaan’; < pgm. *rīsan- (< ouder *reisan-) ‘zich in beweging zetten’. In het Oudhoogduits is het woord naast ‘stijgen’ ook ‘vallen’ gaan betekenen. Bij dit woord hoort ook het causatief *raisjan- ‘oprichten, doen verheffen’, waaruit: oe. rǣran; on. reisa (nzw. resa); got. ur-raisjan.
Verwant met: Armeens ari (imperatief) ‘verhef je’; Hittitisch arāi ‘opheffen, zich verheffen’; < pie. *h1rei-, *h1roi- (LIV 252). In het Germaans met s-uitbreiding. De aard van de laryngaal is niet zeker; mogelijk, maar op semantische gronden zeer twijfelachtig, is dit dezelfde wortel als pie. *h3reiH- ‘draaien, wervelen, borrelen’ (LIV 305), waarvoor zie → rennen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijzen* [zich oprichten] {risen 1285} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels risan, oudfries, oudnoors rísa, gotisch (ur)reisan; buiten het germ. grieks orinein [in beweging zetten], vgl. ook reis1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijzen ww. mnl. rîsen ‘opkomen, voor den dag komen, voortkomen, rijzen, vallen’, os. rīsan ‘opstaan’ (mnd. rīsen ook ‘vallen’), ohd. rīsan ‘vallen, stijgen’, ofri. rĭsa ‘ontstaan, opkomen’, oe. rīsan (ne. rise), on. rīsa ‘zich verheffen’, got. ur-reisan ‘opstaan’. — Het behoort tot de idg. wt. *(e)rei vgl. oi. riṇāti, ríṇvati ‘laat stromen’, gr. orínō ‘zet in beweging’, oiers rīan ‘zee’, osl. riną ‘stromen’ (IEW 331).

Op germ. gebied zijn nog toe te voegen het caus. *raizjan vgl. mnl. rêren, ohd. rêren ‘doen vallen’, oe. rœran (ne. rear) ‘oprichten’ en met herstelde s on. reisa (> ne. raise), got. ur-raisjan ‘doen opstaan’. Verder de onder reis genoemde woorden en mhd. riselen (nhd. rieseln) ‘druppelen, regenen’, zomede mhd. bluotrisec, on. blōðrisa ‘met bloed bespat’ en ofri. blōdrisne ‘bloedende wonde’. — Verder voegt men toe ohd. garīsan, oe. (ge)rīsan ‘betalen’ en mhd. risch ‘flink, snel’. Voor de bet. denkt men dan een overgang van ‘vallen’ > ‘bevallen’. — De opvallende tegenstelling in de bet. ‘rijzen’ en ‘vallen’ kan men verklaren uit een oorspr. bet. ‘in beweging zetten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rijzen ww., mnl. rîsen “opkomen, voor den dag komen, voortkomen, rijzen, vallen”, ook met causatieve bet. = ohd. rîsan “vallen, stijgen”, os. rîsan “opstaan” (mnd. rîsen ook “vallen”), ofri. rîsa “ontstaan, opkomen”, ags. rîsan (eng. to rise), on. rîsa “zich verheffen”; got. de samenst. ur-reisan “opstaan”. Ohd. os. gi-rîsan, mnl. (zeldzaam) gherîsen, ags. (ge)rîsan “betamen, behooren, passen. schikken” kan hierbij hooren (eventueel niettegenstaande ’t ohd. zwakke praet. ’t zelfde woord zijn) met de oorspr. bet. “tóévallen, toekomen” of “samenvallen”. Verder bij rijzen ’t causativum mnl. (bij Gelre) rêren, ohd. rêren “doen vallen”, ags. ræ̂ran “oprichten” (eng. to rear); met s naar rîsa resp. ur-reisan: on. reisa (> eng. to raise), got. ur-raisjan “doen opstaan”. Hierbij ook reis en mhd. riselen “druppelen, regenen” (nhd. rieseln), ofri. blôd-risne v. “bloedende wond”, on. bloð-risa “met bloed bespat”. Onzeker, maar mogelijk is de combinatie van germ. rī̆s- met idg. rī̆- “stroomen”, waarvan onfr. rîth m. “torrens”, mnd. rîde v. “beek, greppel”, dial. mnl. rijt v. “sloot, wetering”, fri. ryd(e) “ breede greppel”, ags. rið m. v., rîðe v. “stroom, beek” (vgl. nog ril), ier. rian “zee”, gall. Rênus “Rijn”, lat. rîvus “beek”, rîtus “gebruik, ritus”, obg. sŭ-rojĭ “het samenvloeien”, oi. riṇā́ti, ríṇvati “hij laat stroomen, laat gaan”, rîtí- “stroom, loop, loop der dingen, wijze”. Ook als wij de bet. “stroomen” uit “zich bewegen” afleiden en gr. orīnō “ik beweeg” (trans.), obg. rinąti, rějati “stooten” vergelijken, blijft de combinatie van rijzen met rī̆- mogelijk, maar onzeker. Rī̆- “bewegen” kan met de basis ere- (zie rennen) verwant zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rijzen. Dial. mnl. rijt v. ‘sloot, wetering’ (= gron. riet ‘geul in buitendijkse gronden’) met t in verbogen vormen; hierbij kan invloed van rijten hebben meegewerkt, doch vgl. riet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijzen ono.w., Mnl. risen, Os. rîsan + Ohd. rîsan = klimmen, dalen (Mhd. rîsen), Ags. rísan (Eng. to rise), Ofri. rísa, On. id., Go. reisan: Germ. wrt. rîs, misschien een uitbreiding van Idg. wrt. rei̯ = stroomen: Skr. rināti = laten stroomen, Lat. rivus = beek, Oier. rian = zee, Gall. Renus = Rijn. De bet. was die der loodrechte richting, zoowel naar beneden als naar boven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2rys ww.
1. Orent staan, uitsteek na bo. 2. Omhooggaan, styg. 3. Bo die horison verskyn, opkom. 4. 'n Hoër graad of peil bereik.
Uit Ndl. rijzen (Mnl. risen in bet. 1 - 3, 1548 in bet. 4). Die grondbetekenis is 'in beweging kom', nog bewaar in die ww. reizen (sien 2reis). Die grondbetekenis het in twee rigtings ontwikkel, nl. 'van onder na bo beweeg' en 'van bo na onder beweeg'. In Mnl. word beide bet. nog aangetref, en ook in gewestelike Ndl.
Eng. raise, rise.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rys II: opkom, styg; gis (bv. deeg); Ndl. rijzen (Mnl. rīsen), Eng. rise (verb. m. Eng. raise en rear), hou mntl. verb. m. Gr. orinein, “beweeg, roer, skud”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rijzen, van den Germ. wt. ris = loodrechte beweging, zoowel dalend als stijgend, doch ’t meest ’t laatste. De neergaande beweging vinden wij nog in het Hgd. freq. rieseln = neerdruppelen. – Afleidingen zijn: reis en reiziger (z. d. w.), en rijzig, letterlijk: omhoog gaande, bijv. een rijzige gestalte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijzen ‘zich oprichten, stijgen’ -> Menadonees rèis ‘opbloeien’; Negerhollands ris ‘optillen, optrekken, ophijsen’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands risi ‘zich oprichten’; Papiaments reis ‘zich oprichten (van deeg, een zaadje, van een buik e.d.); (verouderd) opzwellen’; Surinaams-Javaans rèis, ngerèis ‘zich oprichten, laten opkomen (motor e.d.)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijzen* zich oprichten 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

760. De haren rijzen (of staan) mij te berge,

d.w.z. ten gevolge van schrik, ontzetting en afgrijzen krijg ik een gevoel alsof mijne haren zich oprichten; lat. comae horrent; mihi pili inhorruerunt. Ook in middeleeuwen dat mi alle mine haer upwaert stonden van groten vare (Reyn. I, 2304); al mijn hair staet mi te storme van aen te sien (Reyn. II, 6662). Vgl. ook Job. 4, 15: Een Geest: hy dede het hair mijnes vleesches te berge rijsen; Ps. CXIX, 120; Sart. I, 7, 18: Phocensium execratio. Vervloeckingh dat een 't haer op 't hooft rijst; Vierl. 218: Mijn haer stont mij overeijnde bij maniere van spreken; Hofwijck, vs. 430; 1110; Adam in Ball. vs. 1237: Mijn haer rijst overendt; Lucifer, vs. 1537: Hoe ryzen al myn haeren! Ndl. Wdb. II, 1866; Teirl. II, 6: Zijn haar staat rechte; Wander II, 227: Es stehen (steigen) ihm die Haare zu Berge; das ist haarsträubend; fr. les cheveux se dressent sur la tête; eng. his hair stands on end (or upright).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut