Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijs - (takje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rijs zn. ‘(dun) takje’
Onl. rīs ‘takje’ in de plaatsnaam Risuuic ‘Rijswijk (Gelderland)’ [918-948, kopie 11e eeuw; Künzel], this grone rîs ‘deze groene tak’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. rijs ‘tak’ in Gelijc dat een na uligen slaet Die hi met quispele och met rise Verijagt ‘zoals iemand slaat naar vliegen die hij met takken of twijgen verjaagt’ [1265-70; VMNW].
Os. hrīs (mnd. rīs); ohd. (h)rīs (nhd. Reis); oe. hrīs (ne. dialect rie); ofri. rīs (nfri. riis); on. hrís (nzw. ris); < pgm. *hrīsa- (< ouder *hreisa-) ‘tak, twijg’. Misschien te verbinden met de werkwoorden: os. hrissian; oe. hrissan, hrisian ‘schudden’; got. afhrisjan ‘afschudden’, alsook met on. hrista ‘beven, trillen, schudden’ (nzw. rista). De betekenis van rijs zou dan oorspronkelijk ‘het bevende, trillende’ geweest zijn.
De bovengenoemde Germaanse werkwoorden zijn wrsch. verwant met: Sanskrit kridati ‘dansen, spelen’; Oudpruisisch craysi ‘hooi, halm’; Middeliers cressaim ‘schudden’; bij de wortel pie. *krei- (IEW 937).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijs1* [takje] {in de plaatsnaam Risuuic, nu Rijswijk (Gld.) <918-948>, rijs 1265-1270} oudsaksisch, oudengels, oudnoors hrīs, oudhoogduits (h)rīs [tak, struikgewas], vgl. gotisch (af)hrisjan [(af)schudden], oudengels hrissan, oudnoors hrista [schudden]; buiten het germ. wellicht latijn crispus [gekruld, kroes], crispare [krullen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijs znw. o., mnl. rijs o., os. ohd. hrīs (nhd. reis), on. hrīs ‘tak; twijgen, struikgewas’. — Verder os. hrissian ‘sidderen’, oe. hrissan, hrisian ‘schudden’, got. af-hrisjan ‘afschudden’, en on. hrista ‘schudden’. — opr. craysi ‘hooi, halm’, lat. crinis (< *krisni) ‘haar’, crispus ‘kroes’ en crisāre ‘wankelen’, crispāre ‘zwaaien’, miers cressaim (< *kristō) ‘schudden’, oi. kriḍati ‘dansen, spelen’ (IEW 937). — Zie: ritselen.

De idg. wt. *krei beschouwt J. Trier Holz 1952, 58-62 als een term van het kreupelhout, het
lage loofbos; rijs betekent dus de afgekapte jonge loten van een gevelde boom. De wt. *krei is een afl. van de wortel *(s)ker ‘buigen, draaien’. — Van de wt. *(s)krei zijn afgeleid:
met dentaal: schrijden
met labiaal: on. hreifi, waarvoor: rif 2
Voor de grondwortel zie: rank 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rijs znw.o., mnl. rijs o. = ohd. (h)rîs (nhd. reis), os. ags. on. hrîs o. “tak” resp. “struikgewas, twijgen”. Verwant met got. af-hrisjan “afschudden”, os. *hrissian (3.pers. hrisid) “beven”, ags. hrissan, hrisian “id., schudden”, on. hrista “schudden”; buiten ’t Germ.: lat. crista “kuif”, crînis (*cris-ni-) “haar”, opr. craysi “halm”, oi. krī́dati “hij speelt, danst” (*qriz-de-ti; met ’t zelfde formans on. hrista). Rijs was oorspr. = “het trillende”: vgl. obg. vě-ja, vě-tvî “tak” bij vě- “waaien” (volgens anderen bij viti “winden”). Vgl. nog rillen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijs o., Mnl. id., Os. hrîs + Ohd. rîs (Mhd. id., Nhd. reis), Ags. hrís, On. hrís: met de bet. het schuddende, bij Ags. hrissan, On. hrista, Go. hrisjan = schudden + Skr. krīḍati = dansen, Lat. crista = kuif, Opru. craysi = halm.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rijs (rijshout) van den Germ. wt. ri = schudden, beven (Os. hrissian); het is dus het licht beweegbare, het dunne hout. Zie Rillen en Ritselen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijs ‘takje’ -> Russisch dialect ris ‘bepaalde plant, olmkruid (Spiraea Ulmaria)’; Oekraïens ris ‘bepaalde plant, olmkruid (Spiraea Ulmaria)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijs* takje 0918-948 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut