Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijp - (geschikt voor de oogst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rijp 1 bn. ‘klaar voor de oogst’
Onl. rīp ‘rijp’ in de afleiding rīpitha ‘rijpheid’ [10e eeuw; W.Ps.], thie bittera figon ... thie riphon ande thie suozen ‘de bittere vijgen, de rijpe en de zoete’ [ca. 1100; Will.]; mnl. rip ‘rijp’ [1240; Bern.], druven ..., die te hant al ripe waren ‘druiven die al helemaal rijp waren’ [1285; VMNW]; nnl. rijp.
Os. rīpi (mnd. ripe); ohd. rīfi (nhd. reif); nfri. ryp; oe. rīpe (ne. ripe); alle ‘rijp’, < pgm. *rīpi- (< ouder *reipi-). Wrsch. oorspr. ‘geschikt om geplukt te worden’ en dan een afleiding van *ripan- ‘oogsten, plukken’.
Verdere herkomst onzeker, al wordt het vaak in verband gebracht met pie. *(h1)reip- ‘scheuren’, zie → repel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijp3* [geschikt voor de oogst] {ripe, rijp 1201-1250} oudsaksisch ripi, oudhoogduits rīf(f)i, oudengels ripe, vgl. engels to reap, oudengels ripan [oogsten]; de betekenis is ‘hetgeen geoogst kan worden’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijp 4 bnw., mnl. rîpe ‘rijp’, onfrank. rīpeton (verkeerde spelling voor rīpethon) ‘maturitate’, os. rīpi, ohd. rīffi (nhd. reif), oe. rīpe (ne. ripe). — Daarnaast oe. rīpan ‘oogsten’ (ne. reap), nnoorw. rĭpa ‘ritsen’, rĭpa ‘afrukken, afplukken’ en verder oe. rip o. ‘oogst, schoof’, rifter m. ‘sikkel’. — Behoort tot de groep van repel 1. — Dan betekent dus rijp ‘wat geschikt is om af te plukken’. — Vgl. ook on. rispa ‘openritsen’ (laat overgeleverd en misschien voor *ripsa), vgl. fri. rispje ‘oogsten, afplukken’ (W. de Vries Ts 38, 1919, 297).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rijp III bnw., mnl. rîpe. = (onfr. rîpeton, lees -thon “maturitate”), ohd. rîffi (nhd. reif), os. rîpi, ags. rîpe (eng. ripe) “rijp”. Verwant met ags. rîpan “oogsten” (eng. to reap), rifter m. “zeis”, rĭp o. “oogst, schoof”, noorw. dial. rĭpa “afplukken”, on. rispa “openscheuren” (ps > sp, vgl. esp), verder met repel, wsch. ook reep. Rijp, germ. *rîpia- is oorspr. = “geschikt om af te plukken”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rijp III bnw. Met on. rispa is wsch. in vorming te vergelijken fri. rispje ‘oogsten, afplukken, binnenhalen’: W.de Vries Tschr. 38, 297.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijp 3 bijv.(volwassen), Mnl. ripe, Os. rîpi + Ohd. rîffi (Mhd. rîfe, Nhd. reif), Ags. rípe (Eng. ripe); verder Ags. ripan (Eng. to reap) = oogsten, On. ripa = afplukken, rispa (d.i. *ripsa) = openscheuren; verwant met repel en reep.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

riep (bn.) rijp; Aajdnederlands rip <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2ryp b.nw.
1. (t.o.v. vrugte en gewasse) Volgroei. 2. (veral t.o.v. persone) Wat volle ontwikkeling bereik het. 3. Deurdag, ervare. 4. (t.o.v. planne) Geskik vir uitvoering.
Uit Ndl. rijp (Mnl. ripe in bet. 1, 1608 in bet. 2, 1623 in bet. 3, 1626 in bet. 4). Die oorspr. bet. was 'vrug, gewas wat geskik is om gepluk of geoes te word'.
D. reif, Eng. reap.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ryp II: b.nw., bw., rou eetbaar (bv. groente, vrugte); ervare, volwasse (bv. mens); oorwoë (bv. mening, oordeel); Ndl. rijp (Mnl. rīpe), Hd. reif, Eng. ripe (blb. ook verw. aan Eng. reap), herk. hoërop onseker en ouer bet. ong. “geskik om te oes of te pluk”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rijp, van den Germ. wt. rip = snijden, oogsten; het woord bet. dus: wat geoogst kan worden,

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijp ‘geschikt voor de oogst’ -> Negerhollands riep, rip, rib ‘geschikt voor de oogst’; Papiaments reip, reipu ‘halfrijp’; Sranantongo lepi ‘geschikt voor de oogst’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans lépi ‘rijp (vooral in kennis)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijp* geschikt voor de oogst 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2484. Vroeg rijp, vroeg rot

gewoonlijk met het toevoegsel vroeg wijs, vroeg zot (16de eeuw bij Servilius 95*: vroech wijs, out sot); ‘een kind verstandigh voor de jaren, dat ziet men dickwijls qualijck varen’ (Cats I, 453). In de 17de eeuw bij Cats I, 453:

 Vroegh rijp, vroegh rot.
 Vroegh wijs, vroegh sot.

De Brune, 205: Haest rijp, haest rot; haest wijs, haest zot; V.d. Venne, 209: Wat vroegh rijpt, wil haest rotten; Tuinman II, 7: Vroeg ryp, vroeg rot, vroeg wys, vroeg zot. Vernuften die voor en boven hunne jaaren verstand hebben plegen vroeg te sterven, of ras te verstompen; Adagia, 67: Vroegh weys, oudt sot; W. Leevend, VIII, 235: Zoo gaat het: vroeg ryp, vroeg rot, vroeg gras, vroeg hooi!; Harreb. II, 222; III, 323; Ndl. Wdb. XIII, 1424; Erasmus CLVII. Vgl. voor 't mnl. Eggaert, 185: Alle froyt dat te vruech rijpt dat wert onbequaem. In Zuid-Nederland: Vruug groot, vruug rijp. Vruug rijp, vruug bedorven of zot (zie Antw. Idiot. 1408). In de middeleeuwen zeide men tilic peert, tilic ghuyle (knol); nd. frou hingst, frou rune; eng. soon ripe, soon rotten. Vgl. hd. Was bald reif wird, wird bald faul.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut