Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijp - (bevroren dauw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rijp 2 zn. ‘bevroren dauw of mist’
Mnl. ripe, rijm ‘rijp’ [1240; Bern.], Soo wie vreest den ripe, op hem sal vallen die snee ‘wie de rijp vreest, op hem zal de sneeuw vallen’ [1400-50; MNW]; vnnl. rijpe (met de aantekening ‘'Saksisch, Rijnlands, Fries, Hollands’‘), rijm [1599; Kil.].
NN rijp staat naast BN rijm. Dit geografisch onderscheid werd al door Kiliaan gesignaleerd.
Os. hrīpo; ohd. hrīffo (nhd. Reif); < pgm. *hrīpan- (< ouder *hreipan-) ’rijp‘. Daarnaast met dezelfde betekenis de nevenvorm pgm. *hreima-, waaruit: mhd. rīm; oe. hrīm (ne. rime); on. hrím ’rijp‘ (nzw. rim). Deze voor het Germaans ongebruikelijke wortelvariatie is te verklaren uit generalisatie van verschillende naamvallen uit het oorspr. paradigma in combinatie met de wet van Kluge. Bij de wortel pie. *kreip- hoorde een nominatief *kreip-mōn, waaruit door assimilatie pgm. *hreima-; en een genitief pie. *kreip-mnós, waaruit door assimilatie *kreipnós en door de wet van Kluge en verkorting van het geminaat na lange klinker pgm. *hreippaz > *hreipaz, welke vorm werd gegeneraliseerd tot het hele paradigma > *hreipa-.
Buiten het Germaans zijn er geen zeker verwante woorden met vergelijkbare betekenis en de verdere etymologie is dus onduidelijk. Men vermoedt wel verband met pgm. *hreinan- ’beroeren‘ (os. hrīnan; ohd. rīnan; oe. hrīnan; on. hrína), maar het betekenisverband is vergezocht: ’beroeren‘ zou uit ’strijken‘ voortkomen (IEW 618) en rijp zou eigenlijk ’dat wat afgestreken kan worden‘ zijn. Daar komt bij dat het genoemde sterke werkwoord evenmin Indo-Europese verwanten heeft. Veelal wordt Lets krìet ’afromen‘ als verwant beschouwd, maar zie daarvoor → rein.
Lit.: G. Kroonen (2006), ’Gemination and allomorphy in the Proto-Germanic mn-stems: bottom and rime‘, in: ABäG 61, 17-25

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijp1* [bevroren dauw] {ripe, rijp 1201-1250} oudsaksisch hripo, nederduits rip, oudhoogduits (h)rī(f)fo, van dezelfde stam als rijm1, maar met ander achtervoegsel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijp 1 znw. m. ‘bevroren dauw of nevel’, mnl. rīpe m, rijp o., Kiliaen rijpe (Sax. Sicamb. Fris. Holl., inderdaad komt het woord in Zuidnl. niet voor), os. hrīpo m., ohd. hrīffo, rīffo (nhd. reif) is een nevenvorm van rijm 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rijm I (rijp), mnl. rijm m. = mhd. rîm m. (waarvan rîmeln “met rijp bedekt worden”), ags. hrîm m. (eng. rime) “rijp”, on. hrîm o. “id., roet”. Naast *χri-ma- staat *χri-pa-n-: mnl. rîpe m. (rijp o.), Kil. rijpe (“Sax. Sicamb. Fris. Holl.”), nnl. rijp, ohd. (h)rîffo (nhd. reif), os. hrîpo m. “rijp”. De oorspr. bet. kan “dun laagje” geweest zijn: dan kan men lett. kreims “room”, krënu, krët “afroomen” combineeren. Maar veeleer moeten wij van de bet. “het korrelige” uitgaan en rijm van de basis van rein afleiden. Eventueel kunnen ook de lett. vormen hierbij hooren; dan zou de basis velare q hebben.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijp 1 m. (bevroren dauw), Mnl. ripe, Os. hrîpo + Ndd. rip, Ohd. (h)rîffo (Mhd. rîfe, Nhd. reif): z. rijm 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1ryp s.nw.
Bevrore dou.
Uit Ndl. rijp (Mnl. ripe), met 'n ander agterv. gevorm as die sinonieme rijm.
D. Reif.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijp* bevroren dauw 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut