Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijm - (gelijke klank)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rijm 1 zn. ‘gelijkheid van klank’
Mnl. rime ‘versregel’ [1240; Bern.], in Dat hic vinde moghe word Scone ende rime goed ‘dat ik mooie woorden en goede versregels moge vinden’ [1285; VMNW], ‘verhaal op rijm’ in alse ghit leest in deerre rime ‘zoals u het leest in dit verhaal’ [1285; VMNW], ‘versmaat, gelijkheid van klank’ in niemene nebbe ... waen dat ic die materie vensede els dan ic die rime pensede ‘niemand moet denken dat ik de stof heb verzonnen afgezien van het rijm dat ik heb bedacht’ [1287; CG II]; vnnl. rijm, rijme ‘versmaat, metrum, gelijkheid van klank aan het eind van de regel’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Oudfrans rime ‘versregel’ [ca. 1160; Rey], en ‘verhaal op rijm’ [ca. 1165; Rey], waarvan de verdere herkomst onzeker is. Volgens de traditionele opvatting is het ontleend aan Laatlatijn rhythmus ‘(vers met) periodieke accentuering’ via ‘vers met eindrijm’ en ‘eindrijm’. De vorm rime uit rhythmus laat zich echter niet zo gemakkelijk verklaren, temeer daar overgangsvormen als *ritme of *ridme in het Oudfrans ontbreken. Ook de betekenisontwikkeling stuit op bezwaren. De herleiding tot Latijn rīmare ‘nauwkeurig onderzoeken’ is semantisch evenmin aannemelijk.
Waarschijnlijker is dan ook verband met een algemeen Oudgermaans woord voor ‘reeks, aantal’, Proto-Germaans *rīma- (m.), waarvan de betekenissen in de West-Germaanse talen later zijn verdrongen door het Franse woord. Het Franse woord kan dan rechtstreeks zijn ontleend aan een Frankische vorm *rīm met een betekenisontwikkeling van ‘reeks’ > ‘reeks rijmende versregels’ > ‘rijmend vers’. Het vrouwelijke woordgeslacht van Frans rime is dan wel opmerkelijk. Men veronderderstelt daarom ook wel een tussenstap: van Frankisch *rīm zou een Gallo-Romaans werkwoord rimare ‘rangschikken, ordenen’ zijn afgeleid, en daarvan een vrouwelijke afleiding rime. Via het Frans is het woord ontleend door de naburige Romaanse talen: Spaans, Italiaans en Portugees rima.
Uit pgm. *rīma- (met latere betekenisontlening aan het Frans): os. rīm ‘groot aantal’ (mnd. rīm ‘aantal; versregel, gedicht’); ohd. rīm ‘getal, reeks, volgorde’ [8e eeuw] (mhd. rīm ‘rijm, rijmregel, gedicht’); ofri. rīm ‘vertelling op rijm’ (nfri. rym ‘rijm’); oe. rīm ‘getal’ (me. rime, ryme ‘metrum’, later ‘rijmregel’); on. rím ‘berekening, kalender’. Hierbij ook het werkwoord oe. rīman ‘tellen’.
Deze Germaanse woorden zijn verwant met: Latijn rītusrite, Oudiers rīm ‘getal’, Welsh rhif ‘id.’ en mogelijk Grieks arithmós ‘getal, hoeveelheid’ (zie → aritmetica); bij de wortel pie. *rei- ‘tellen’ (IEW 60).
Tot het midden van de 9e eeuw gebruikte men het oorspronkelijke Germaanse beginrijm, stafrijm of alliteratie, daarna werd dit rijm grotendeels verdrongen door het eindrijm, in die mate zelfs dat rijm zonder nadere aanduiding tegenwoordig altijd ‘eindrijm’ betekent.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijm2 [gelijke klank] {rime, rijm [dichtmaat, rijm, gedicht] 1201-1250} < frans rime < latijn rhythmus [ritme, harmonie] > middeleeuws latijn ritmus, rismus, rima [vers, i.h.b. een geritmeerd, rijmend vers, harmonie] (vgl. ritme).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijm 2 znw. o. ‘gelijkheid van klank in een vers’, mnl. rīme, rijm v., rijm m. ‘rijmregel, versregel, gedicht, dichtmaat, rijm’, mnd. rīme, rīm m. ‘rijm, rijmspreuk, gedicht, devies’, mhd. rīm m. ‘vers, regel’ (nhd. reim), owfri. rīm ‘gedicht, verhaal’, ne. rhyme ‘rijm’. — Wat de betekenis ‘rijm’ aangaat, kan men invloed aannemen van fra. rime < lat. rhithmus (Braune, Vers und Reim SBA Heidelberg 1916).

Men mag zeker wel spreken van een semantische beïnvloeding, want het germ. kende het woord *rīma reeds daarvoor, vgl. ohd. rīm ‘rij, getal’, os. unrīm ‘zeer groot getal’, ofri. rīm ‘getal’, oe. rīm ‘getal, telling’, on. rīm n. ‘berekening, kalender’. Dit woord behoort bij oiers rīm ‘getal’, dorīmu ‘rekenen’, en verder gr. arithmós ‘rij, getal’, néritos ‘ontelbaar’, lat. ritus ‘gebruik, zede’ van de idg. wt. *rei (waarvoor zie: gereed).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rijm II znw.o. (zelden de), mnl. rîme, rijm v. (rijm m.) “rijmregel, versregel, gedicht, dichtmaat, rijm”. = mhd. rîm m. “vers, regel” (nhd. reim; de bet. “rijm” eerst oudnhd.), mnd. rîm(e) m. “rijm, rijmspreuk, gedicht, devies” (> laat-on. rîm o. “gedicht”), owfri. rîm “gedicht, verhaal”, eng. rhyme “rijm” uit fr. rime “id.” (afgeleid uit gr.-lat. rhythmus, door anderen uit ’t hieronder besproken germ. *rîma-). Op du. gebied kan de ontl. zijn samengevallen met een echt germ. woord, ohd. rîm m. “rij, volgorde, getal”, os. rîm (in un-rîm o. “ontelbare menigte”), ags. rîm o. “getal”, on. rîm o. “rekening, berekening”, die met kymr. rhif, ier. rîm “getal”, ad-rîmi “hij telt”, gr. nḗritos “ontelbaar”, arithmós “getal” verwant zijn. Voor ’t Ndl. is een dgl. samenvallen niet wsch.: hier is van ’t oude *rîma- niets meer te vinden, bovendien is mnl. rîme gew. v.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rijm II o. Bij ohd. rîm ‘rij, volgorde, getal’ enz. buiten het Germ. wsch. nog lat. rîtus ‘(godsdienstig) gebruik, gewoonte’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijm 2 o. (versrijm), Mnl. rime, Os. rîm (= getal, menigte) + Ohd. rîm (Mhd. id., Nhd. reim), Ags. rím (Eng. rime), On. ríma (Zw. en De. rim) + Gr. arithmós, Oier. rím = getal. Ging in ’t Rom. over: Fr. rime, It., Sp., Port. rima, waar het uit de bet. getal, reeks, die van klankenreeks, rijmreeks ontwikkelde, welke bet. later dan in ’t Germ. overkwam. Voor anderen is Oudgerm. rîm = getal verloren gegaan, en algemeen Germ. rîm = versrijm is ontleend uit Fr. rime, dat dan met de andere Rom. woorden afgeleid wordt uit Gr. ruthmós: z. stroom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1rym s.nw.
1. Gelykheid van die slotklanke of -woorde van 'n versreël. 2. Versreël.
Uit Ndl. rijm (Mnl. rime).
Mnl. rime uit Fr. rime.
D. Reim, Eng. rhyme, Sweeds rim.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rym I: s.nw. en ww., klankooreenkoms in laaste bekl. letg. v. versreël; sulke versreëls maak; klop/ooreenstem met; Ndl. rijm (Mnl. rīme/rijm), Hd. reim, Eng. rhyme, wsk. sem. beïnvl. d. Fr. rime uit Lat. rhythmus, “ritme; harmonie”, en verb. m. Gr. arithmos, “getal, ry”; hierby ww. Ndl. rijmen, Hd. reimen, Eng. rhyme en Afr. rym.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rijm ‘gelijke klank’ (Frans rime)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijm ‘gelijke klank’ -> Deens rim ‘gelijke klank’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch rima ‘gelijke klank’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijm gelijke klank 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut