Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijkdom - (het rijk-zijn)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijkdom [het rijk-zijn] {oudnederlands rîcduom 901-1000, middelnederlands rijcdoem, rijcdo(o)m [idem]} oudsaksisch rikidōm, oudhoogduits rihhituom, oudfries rikedōm, oudengels ricedōm, oudnoors ríkdōmr [macht]; gevormd van rijk2 + -dom.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijkdom znw. m., mnl. rijcdoem, rijcdom m. o. ‘rijkdom’, os. rīkidōm m. ‘heerschappij, rijkdom’, ohd. ríhhituom (nhd. reichtum), ofri. ríkedōm m. ‘rijkdom’, oe. rīcedōm ‘macht’, on. rīkdōmr m. ‘macht, rijkdom’ is met het suffix -dom gevormd van rijk 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rijkdom znw., mnl. rijcdoem, -dom m. (o.) “rijkdom”. = onfr. rîcduom “divitiae”, ohd. rîhhituom (nhd. reichtum), os. rîkidôm m. “heerschappij, rijkdom”, ofri. rîkedôm m. “rijkdom”, ags. rîcedôm “macht”, on. rîkdômr m. “id., rijkdom”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rykdom s.nw.
1. Toestand van baie geld en besittings te hê. 2. Geld en besittings. 3. Groot hoeveelheid, oorvloed.
Uit Ndl. rijkdom (Mnl. rijcdom in bet. 1, 1557 in bet. 2, 1623 in bet. 3). Mnl. rijcdom is 'n afleiding met -dom van rijc 'ryk' (sien 2ryk), en was hoofsaaklik 'n versamelnaam met die bet. 'ryk persone'. Die huidige gewone bet. 1 kom selde in Mnl. voor; daarvoor is rijcheit gebruik.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

rijkdommen. - Het meervoud van rijkdom is niet geheel ongebruikelijk; zoo zegt men b.v. wel wegens zijne rijkdommen vielen hem vele verdachte eerbewijzen ten deel, maar daarnaast hij verlangt naar rijkdom. In beide gevallen zou men in ’t Fransch zeggen richesses, waarvan het gebruik zeer uitgebreid is; in onze taal zegt men meer schatten, als men volstrekt het meervoud wil gebruiken, en men spreekt in geen geval van de rijkdommen eener verzameling, maar van den rijkdom, de schatten.|| Een schrijver der XVIIIe eeuw mocht zeggen dat in gansch Nederland geene stad was, die met meer recht roemen kon de bloem des adels, zoo ten opzichte der oudheid als der rijkdommen, in haren schoot te bezitten, DE POTTER, Gent 1, 155. Met een enkel woord (wil ik) gewagen van de meest in het oog springende kenmerken en rijkdommen der verzamelingen, welke ik bezocht, ROOSES, Op Reis 246. Hoewel hij zijne groote rijkdommen tot de som van tienduizend frank zal versmelten, SEGERS, Gelukkig 5.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijkdom ‘het rijk-zijn’ -> Negerhollands riekdom ‘het rijk-zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijkdom het rijk-zijn 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal