Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijgen - (aan een snoer hechten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rijgen ww. ‘aan een snoer hechten’
Mnl. eerst riën ‘hechten met behulp van of aan een snoer e.d.’ in Feitise, nauwe gerene (lees: geregene) scoen die seldi dragen ‘mooie, nauw geregen schoenen, die moet je dragen’ [ca. 1300; MNW], An die glavye beede gerijt ‘beiden aan de lans geregen’ [1340-60; MNW-R], dan rigen ‘rijgen’ in Dat wy duerbaer cleder copen Ende doense ryghen ofte knopen ‘dat wij kostbare kleren kopen en ze dichtrijgen of vastknopen’ [1470-90; MNW-R]; nnl. rijgen [1573; Thes.].
Mnd. rien, rigen; mhd. rīhen ‘rijgen’ (nhd. reihen); nfri. riuwe ‘id.’; < pgm. *rīhan- (< ouder *reihan-).
Verdere herkomst onzeker. Men verbindt het woord meestal met de wortel pie. *(h1)reiḱ- ‘breken’ (LIV 504), waarbij o.a. horen: Grieks ereíkein ‘breken’; Welsh rhwyg ‘breuk’; of met de wortel pie. *r(e)ik(w)h2- ‘insnijden’ (LIV 504), waarbij o.a.: Sanskrit rikháti ‘krast’, rekhā́- ‘streep, lijn’; Litouws riẽkti ‘(brood) snijden’. In beide gevallen is het betekenisverband met Germaans ‘rijgen’ niet helemaal duidelijk.
De oorspronkelijk stamtijden van dit sterke werkwoord waren rien, reech, reghen, ghereghen (door grammatische wisseling, zie ook → aantijgen). Door analogiewerking werd de -g- ook in de infinitief en in de tegenwoordige tijd overgenomen. Daarnaast kwamen in het Middelnederlands soms ook zwakke vervoegingen voor zoals riede ‘reeg’. Zie ook de afleiding → rij.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijgen* [aan een snoer hechten] {rien, rijen [dichtrijgen, rijgen] 1330 en met latere g, righen 1476} middelnederduits rigen; buiten het germ. latijn rima [spleet], grieks ereikein [openscheuren, splijten], welsh rhwygo [openscheuren], litouws riekti [(brood) snijden], oudindisch rikhati [hij snijdt open].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rij znw., mnl. rîe v. “lijn, rij, lat, plank, meetstok”. = mhd. rîhe (nhd. reihe) v. “lijn, rij”. Sluit zich in consonantisme aan bij mnl. rîen “rijgen” (nog dial.: Gron., Kampen, Maastricht; later-mnl. rîghen, nnl. rijgen, mnd. rîgen “id.” heeft de g van het praet. mv. en het verl. deelw. aangenomen), terwijl mnl. rîghe v. “rij, regel, plank, lat” (nog dial.: Gron., omstreken van Kampen, Achterh.), ohd. rîga v. “lijn”, mnd. rîge v. “id., huizenrij, kant van een straat” hiermee in grammatischen wechsel staat; evenzoo Kil. reghe (nog achterh.), ohd. riga (nhd. riege), mnd. rēge v. “rij”. Nog andere vormen: mnl. regghe, rigghe v. “rij, lat”, noorw. dial. reig m. “rij”, raa (*raiχô-) “grenslijn”. Verwant is oi. rekhā́- “streep, lijn, rij” met dgl. bet.-ontwikkeling als rij, verder kymr. rhwygo “openscheuren”, gr. ereíkō “ik breek”, lit. rëkiù, rë̃kti “brood in plakken snijden”, oi. rikháti, likháti “hij grift”; wsch. ook lat rîma “spleet” (*reiq-s-mâ-), waarmee Kil. reessem “tros, aaneengeregen bundel, rist” (nog zuidndl.; Antw. reesel wsch. secundair) uit *roiq-s-mo- (-â-?) in ablaut staat. Ags. râw (eng. row), ræ̂w v. “rij”, dat als idg. *roiq-wā́-, -wí- nog hierbij gebracht kan worden, is eer met lit. raiwė “streep”, lett. rëwa “spleet, vouw, rimpel, vore” verwant. Een wortelvariant met in oi. riçáti, liçáti “hij plukt, scheurt af, graast af”. Ook de bovengenoemde germ. kelt. lat. gr. vormen kunnen hebben. Zie nog rist.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijgen o.w., Mnl. rien + Ohd. rîhan (Mhd. rîhen), Ags. ríhan + Skr. rekhâ = lijn, Gr. ereíkein = breken, Lat. rima = spleet, We.. rhwygo = openscheuren. Voor rijgen i.p.v. rijen cf. tiegen, tijgen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ryg ww.
1. Voorwerpe met gaatjies, soos krale, met 'n snoer agter mekaar heg. 2. Materiaal tydelik met groot steke vaswerk.
Uit Ndl. rijgen (Mnl. rien, rijen). Mnl. rien, rijen hou oorspr. met rij 'ry' (sien 1ry) verband. Die g van Ndl. rijgen (laat Mnl. rigen) is afkomstig van die verlede tyd reeg en die verlede dw. regen, geregen.
D. reihen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ryg: – rye/ry – , in ’n reeks/string na mekaar voeg; Ndl. rijgen (Mnl. rīen), Hd. reihen, uit vorme v. d. verl. tyd v. Mnl. rīen ontst. Mnl. rīghen en hieruit Nnl. rijgen, vgl. ry I.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rijgen, letterlijk: op een rijg of rij brengen, nl. aan een snoer, of met lange steken aan elkander naaien; verwant met ’t Skr. rekha = streep, lijn. Een andere afl. is reeks.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijgen ‘aan een snoer hechten, met wijde steken vastnaaien’ -> Deens ri ‘visserstaal: een vis aan een draad optrekken; met wijde steken vastnaaien; evenwijdig touwen aan elkaar vastmaken’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments reig ‘aan een snoer hechten, met wijde steken vastnaaien’; Sranantongo ligi (ouder: rigi) ‘met wijde steken vastnaaien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijgen* aan een snoer hechten 1330 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut