Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijf - (hark)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijf1* [hark] {rive 1345} van rijven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijf 1 znw. v. ‘hooihark’, mnl. rīve, mnd. rīve, noordfri. rīwe ‘hark’ een woord van de ‘inguaeoonse’ kuststrook van Noord-Friesland tot aan het Zwin, nog vooral levend in Antwerpen, Noordwest-Brabant en het land van Waas. Vandaar is het met kolonisten in de Middeleeuwen naar de duitse Mark gedrongen, waar het nog op enige plaatsen o.a. in het Havelland leeft (zie Teuchert, Sprachreste 1944, 244). — Zie verder: rijven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rijven. Het znw. ook ofri.: rîve v. ‘hark’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijf 1 v. (hark), Mnl. rive, van rijven: z.d.w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

rief 1, rieve, rijf, bn., bw.: kwistig, overvloedig, spilziek, mild. Mnl. rîve ‘overvloedig’, Mnd. rive, Ndd. rife, E. rife ‘goed voorzien, vol, rijk, overvloedig’, laat Oe. ryfe, On. rifr ‘mild, hevig’, Oijsl. reifa ‘beschenken’. Wellicht zoals in Ndd. gerif, grif < *gerif bij Mnl. gherîven ‘aangenaam zijn, van dienst zijn’.

rief 2, rijf, zn.: rasp. D. Reibe ‘rasp’. Zie rieven 1.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

Refke, ‘t, zn.: de gordel van Orion met de ster rechts onder. Dim. van rijf.

rijf 1, zn.: hark. Ovl. ook reef. Verbaalstam van ww. rijven ‘harken’. Vgl. schreve, schreef < schrijven, reet < rijten. Mnl. riven, Vnnl. rijven ‘harken’. Mnd. rîven, Me rive, On. hrîfa ‘grijpen naar, harken’, On. hrifa ‘hark’.

rijf 2, zn.: reeks, rij. Misschien hetzelfde als rijf 1, aangezien een hark lange strepen, rijen trekt.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

Refke (‘t -) de gordel van Orion met de ster rechts onder (West-Noord-Brabant). Verkleinw. v. rijf ↑.
Van Gestel 201.

rijf hark (Noordwest-Nederland, Zeeland, Waas, West-Noord-Brabant, Antwerpen). = ono. hrifa ‘hark’ (ook nog in no. en zw. dialecten). ~ ono. hrifa ‘naar zich toerukken’ (= (met mobiele s) Lets skrĩpât ‘krassen, ingriffen’).
HCTD VI 153-166, OT III 343 vlg., Ghijsen 791.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijf ‘(gewestelijk) hark’ -> Duits dialect Riewe, Riwe ‘hark’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal