Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rij - (aantal voorwerpen of personen in een lijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rij zn. ‘aantal voorwerpen of personen in een lijn’
Mnl. rië ‘plank, lat’ in 30 riën, elc stic 13 d. ‘30 planken à 13 penningen per stuk’ [1345-46; MNW], ‘een aantal in een lijn geplaatste voorwerpen of personen’ in in ene rie ‘op een rij’ [1430-50; MNW-R], Een pairlen voirsnoer van III rijden ‘een parelketting van drie strengen’ [1471; MNW], ryhen setten of stellen ‘rijen maken’, ryhe van den wijnstocken ‘rij van wijnstokken’ [beide 1477; Teuth.].
Wrsch. een afleiding van het werkwoord Proto-Germaans *rīhan ‘rijgen’, zie → rijgen.
Verder alleen mhd. rīhe ‘rij’ (nhd. Reihe). Daarnaast met grammatische wisseling vnnl. rijge, mnl. righe ‘(schrijf)regel’ [1477; Teuth.], ook wel ‘rij’, bijv. in Vier rijgen steenen ‘vier rijen stenen’ [1688; Statenbijbel]. Daarbij horen: mnd. rege, rige; ohd. riga, rīga (nhd. Reigen ‘rei, rij’); nfri. rige.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rij* [reeks] {rie 1343-1346, naast rige [rij, regel] 1446} oudhoogduits riga; bij rijgen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rij znw. v., mnl. rīe v. ‘lijn, rij, lat, plank, meetstok’, mhd. rīhe (nhd. reihe) v. ‘lijn, rij’ < germ. rīhō bij het ww. *rīhan vgl. mnl. rīen, ohd. rīhan ‘aan een snoer rijgen’. Door invloed van de vormen reeg en geregen ontstond daaruit de vorm mnl. rīghen, nnl. rijgen evenals mnd. rīgen. — oi. rēkha ‘streep, lijn’, rikháti ‘ritst’, lit. riekiù, riẽkti ‘broodsnijden, voor het eerst ploegen’, misschien ook kymr. rhwyg ‘scheur, spleet’ van de idg. wt. *reik(h), afl. van *rei, waarvoor zie: reen, reep en rijp.

Vormen met gramm. wisseling zijn mnl. rīghe v. ‘rij, regel, plank, lat’ (nog dial. in het oosten), mnd. rīge ‘lijn, huizenrij’, ohd. rīga v. ‘lijn’ en abl. Kil. rēghe (nog achterhoeks), mnd. rēge, ohd. riga (nhd. riege) ‘rij’. Verder nog mnl. regghe, rigghe ‘lat’ en uit germ. *raihō nog on. rā- in rāmerki ‘grenslijn, akkergrens’, noorw. dial. raa, nzw. .

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rij znw., mnl. rîe v. “lijn, rij, lat, plank, meetstok”. = mhd. rîhe (nhd. reihe) v. “lijn, rij”. Sluit zich in consonantisme aan bij mnl. rîen “rijgen” (nog dial.: Gron., Kampen, Maastricht; later-mnl. rîghen, nnl. rijgen, mnd. rîgen “id.” heeft de g van het praet. mv. en het verl. deelw. aangenomen), terwijl mnl. rîghe v. “rij, regel, plank, lat” (nog dial.: Gron., omstreken van Kampen, Achterh.), ohd. rîga v. “lijn”, mnd. rîge v. “id., huizenrij, kant van een straat” hiermee in grammatischen wechsel staat; evenzoo Kil. reghe (nog achterh.), ohd. riga (nhd. riege), mnd. rēge v. “rij”. Nog andere vormen: mnl. regghe, rigghe v. “rij, lat”, noorw. dial. reig m. “rij”, raa (*raiχô-) “grenslijn”. Verwant is oi. rekhā́- “streep, lijn, rij” met dgl. bet.-ontwikkeling als rij, verder kymr. rhwygo “openscheuren”, gr. ereíkō “ik breek”, lit. rëkiù, rë̃kti “brood in plakken snijden”, oi. rikháti, likháti “hij grift”; wsch. ook lat rîma “spleet” (*reiq-s-mâ-), waarmee Kil. reessem “tros, aaneengeregen bundel, rist” (nog zuidndl.; Antw. reesel wsch. secundair) uit *roiq-s-mo- (-â-?) in ablaut staat. Ags. râw (eng. row), ræ̂w v. “rij”, dat als idg. *roiq-wā́-, -wí- nog hierbij gebracht kan worden, is eer met lit. raiwė “streep”, lett. rëwa “spleet, vouw, rimpel, vore” verwant. Een wortelvariant met in oi. riçáti, liçáti “hij plukt, scheurt af, graast af”. Ook de bovengenoemde germ. kelt. lat. gr. vormen kunnen hebben. Zie nog rist.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rij v., Mnl. rie + Ohd. rîha (Mhd. rîhe, Nhd. reihe): van den praesensstam van rijgen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1ry s.nw.
1. Persone of voorwerpe agter mekaar in 'n lyn geplaas, reeks. 2. Persone of sake wat in die gedagte agter mekaar georden word.
Uit Ndl. rij (al Mnl. in bet. 1, ongeveer 1620 in bet. 2), wat oorspr. met die ww. rijgen 'ryg' (sien ryg) verband hou.
D. Reihe, Eng. row.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ry I: opeenvolging, reeks; Ndl. rij (Mnl. rīe, “lyn, ry”), Hd. reihe, Eng. row, (veroud.) rew, hou misk. verb. m. Oind. rēkha, “lyn, streep”, en is blb. verw. aan ryg (q.v.).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

rijge 'rij, een rij huizen, kade'
Mnl. rige, nfri. rige, in Groningen, Gelderland en Overijssel riege (gron. ook rieg), mnd. rîge, ohd. rîga, variant van rij met grammatische wisseling. Oudste attestatie in plaatsnamen: 1778 Moerrijge (→ Morige)1.
Lit. 1De Vries 1946 160.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rij, oudtijds ook rijg: „De stadt wierdt van buyten met drie rijgen palen verzekerd”. Zie Rijgen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rij ‘reeks; lange rechte lat of liniaal van verschillende afmetingen, in allerlei ambachten gebruikt’ -> Fries rij ‘reeks’; Duits dialect ‘lange rechte lat of liniaal van verschillende afmetingen, gebruikt door metselaars, timmermanen en als lat om de molensteen te richten’; Frans dialect ride, riglée, rid'lêye ‘reeks’; Menadonees rey, rey-rey ‘reeks’; Negerhollands rieg ‘reeks’; Sranantongo rèi (ouder: lei) ‘reeks’; Surinaams-Javaans rèi ‘reeks’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rij* reeks 1343-1346 [MNW]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

rij: op —, achtereenvolgend; na elkaar. Vnl. in de sport, bijvoorbeeld gezegd van doelpunten. Sinds het midden van de jaren zeventig.

Officieel willen de sociaal-democraten pas in het voorjaar van 1998 beslissen welke kandidaat zij de ring insturen om voor de vijfde maal op rij trachten Kohl te verslaan. (Elsevier, 12/04/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut