Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

riek - (werktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

riek zn. ‘mestvork’
Mnl. riek ‘drie- of viertandige vork voor verschillende doeleinden’ in met eenen rieke ‘met een mestvork’ [1350; MNW]; vnnl. rieck oft grepe, mistgaffel ‘mestvork’ [1573; Thes.].
Nevenvorm van raak, reek ‘hark’, mnl. rake, reke.
Bij raak, reek horen: oe. racu (ne. rake); on. raka ‘hark’ (nzw. raka); < pgm. *rakōn ‘soort vork’. Daarnaast: os. reko; ohd. rehho (nhd. Rechen ‘hark’); on. reka ‘schoffel’; < pgm. *rekōn ‘vork’. Beide horen bij het werkwoord *rekan- ‘harken’, waaruit: mnd. reken ‘reiken, zich uitstrekken’; ohd. rehhen ‘bij elkaar halen’; ofri. reka (alleen verl.deelw.) ‘bij elkaar halen’; me. rāken; got. rikan ‘uitstrekken’. Verwant met → recht 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

raak1* [hark] {rake 1401-1450} en ablautend middelnederlands re(i)ke (vgl. reek1), oudsaksisch raka, reka, nederduits raku, oudhoogduits rehho (hoogduits Rechen), oudengels racu (engels rake), oudnoors reka [schop, schoffel], gotisch rikan [ophopen]; buiten het germ. latijn rogus [brandstapel]; de lat. vorm is heel misschien verwant met grieks rogos [korenschuur].

reek1* [hark] {reke, reike 1301-1400} hoogduits Rechen, ablautend bij raak1.

riek* [mestvork] {rieke [drietandige vork] 1350} stellig behorend bij middelnederlands rake [hark], ondanks afwijkende vocaal (vgl. raak1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

raak 1 znw. v. ‘hark’, mnl. rāke, nnd. raak, oe. racu, ræce, raca (ne. rake), on. raka is de in Oost-Vla. en Oostelijk WVla. gebruikelijke vorm voor reek. (Zie kaartje bij Pauwels Hand. Top. Dial. 6, 1932, 154 vlgg.).

reek 2 znw. v. ‘hark’ (Brab. Limb. O-Vla.), mnl. rēke, os. reko, ohd. rehho (nhd. rechen). — Zie verder: raken 2.

riek znw. m., mnl. riec, rieke m. ‘grote twee- of drietandige vork, aalsteker, houweel’. — Een bijvorm van raak 1 en reek 2. Voor de wisseling van germ. *rěka en *reuka vgl. J. de Vries, PBB 80, 1958, 17, waar de laatste als jonge variant beschouwd wordt.

Er is althans geen aanleiding de beide woorden van elkaar te scheiden en riek te verbinden met oi. rujati ‘breekt’. De bet. ligt te ver uiteen en het is gevaarlijk voor een uitsluitend nl. woord een oi. parallel te gebruiken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

riek znw., mnl. riec, rieke m. “groote twee- of drietandige vork, aalsteker, houweel”. Niet met rakelen verwant. Als oi. rujáti “hij breekt” idg. r en niet l (zie bij lokken) heeft, kan riek er mee verwant zijn. Zie rok I en ruiken. Verder eventueel lat. rûna “werpspies” < *reug-s-nâ- of *rū̆g-s-nâ-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

riek. Wegens het volkomen isolement binnen het Germ., alsmede de hoogst onzekere combinaties buiten het Germ., is het geraden het woord, dat in bet. met de bij rakelen genoemde znww. mnl. rāke, rēke overeenstemt, daarvan niet te scheiden, al is het vocalisme vreemd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

riek v., Mnl. riec, rieke: oorspr. onbek.; niet verwant met raak 2.

raak 2 v. (hark), Mnl. rake, Os. raka + Ags. racu (Eng. rake), Zw. raka, De. rage; dan Ndl. reek, Mnl. reke, Os. reka + Ohd. rehho (Mhd. reche, Nhd. rechen), On. reka, Go. werkw. rikan (= ophoopen, Mnl. reken) + Gr. rogós = korenschuur, Lat. rogus = brandstapel: Idg. wrt reǵ  = schikken, bijeenrapen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

riekske, zn.: eetvork. Dim. van Ndl. riek ‘meertandige (mest)vork’, vgl. Ndl. gaffel en D. Gabel ‘eetvork’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

driek, zn. m.: riek, mestriek. De anlaut-d door associatie met drie, aangezien het om een drietandige vork gaat. Driek kan ook worden verklaard door metanalyse uit mesdriek (zuid), mestriek (noordoost).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

riekske etensvork (enkele plaatsen in Midden- en Noord-Limburg). Verkleinwoord van riek ‘bep. akkergereedschap’. Evenals in fra. fourchette ‘etensvork’, verkleinwoord bij lat. furca ‘gaffel’ blijkt hier uit de keuze voor het dimin. dat etensvorken in de geschiedenis jonger zijn dan hooivorken en rieken. De etensvork was in Nederland in de 15e-eeuw nog wel onbekend.
Roukens 130-133.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

riek* mestvork 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal