Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ridder - (adellijke titel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ridder zn. ‘adellijke titel’
Mnl. riddere ‘adellijke titel’ in ein cuone ridder ‘een dappere ridder’ [1220-40; VMNW].
Een wrsch. in Vlaams gebied ontstane bijvorm bij ridere ‘rijder’ als leenvertaling van Oudfrans chevalier ‘ridder’ [1080; Rey]. De oorspr. vorm ridere is gevormd met het achtervoegsel -er (zie → -aar) bij het werkwoord → rijden.
Eigenlijk was ridder de aanduiding voor iemand die krijgsdienst te paard verrichtte, maar later werd het de benaming voor iemand die behoorde tot de stand die voor de Frankische koningen krijgsdienst te paard verrichtte. De vorm werd in deze specifieke betekenis overgenomen in de hoofse literatuur van het Middelhoogduits: ritter (nhd. Ritter) naast rītære ‘ruiter’ (nhd. Reiter). Hetzelfde gebeurde met mnd. riddere, oe. rīdere, on. riddari, ozw. riddare. De uitdrukking ridder van de droevige figuur ‘iemand die zich belachelijk maakt of er ellendig uitziet’ is ontstaan n.a.v. de figuur van Don Quijote uit de gelijknamige roman van Cervantes.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ridder* [edele] {ridder(e) 1220-1240} middelnederduits ridder, middelhoogduits rit(t)er (< middelnederlands rider(e) [ruiter]), van rijden. De uitdrukking een ridder van de droevige figuur [iem. die er ellendig uitziet of zich belachelijk maakt] slaat op Don Quichot.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ridder znw. m., mnl. riddere, ridder, riddare, reddere, ruddere m. ‘ruiter, krijgsman, ridder, paard in het schaakspel’, mnd. ridder (> laat-on. riddari), mhd. ritter, riter, rītære ‘ruiter, ridder’, ofri. riddere, ridder ‘ruiter, ridder, muntstuk’. — Waarschijnlijk gaat het woord van het vlaamse taalgebied uit, waar omstr. 1100 daarmee lat. miles en fra. chevalier weergegeven wordt; met het Vlaamse ridderwezen verbreidde het woord zich naar Duitsland. Het zal een bijvorm zijn van mnl. rīder(e) ‘ruiter, muntstuk’, mnd. rīder ‘ruiter, ridder, muntstuk’, laat-ohd. rītār(e) ‘ruiter, ridder’, oe. rīdere ‘ridder’, een afl. van rijden. Een oud woord is ook ohd. ritto, oe. ridda ‘ruiter’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ridder znw., mnl. ridder(e) (riddare, reddere, ruddere) m. “ruiter, krijgsman, ridder, paard in ’t schaakspel”. = mhd. ritter (riter, rîtœre), mnd. ridder, on. riddari m. “id.”, ofri. ridder(e) m. “ruiter, ridder, een munt”. De vorm heeft zich wsch. van het ndl.-nederrijnsche gebied uit verbreid. Hij is wellicht door contaminatie van 2 vormen ontstaan: 1. mnl. rîder(e) m. “ruiter, een munt” = laat-ohd. rîtâr(e) “ruiter, ridder”, mhd. rîtœre, rîter (nhd. reiter), mnd. rîder m. “id., een munt”, ags. rîdere m. “ridder”, 2. onfr. *riddo = ohd ritto, ags ridda m. “ruiter”. Beide woorden, wgerm. *rîdâria- en *rid(d)jan-, zijn nomina agentis bij rijden. Dial. kan ook riddare, -ere ontstaan zijn uit *rîdâri zonder invloed van *riddo.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ridder m., Mnl. id. + Ohd. rîtare (Mhd. ritter, Nhd. id.): van rijden (z. ruiter). Het w. moest rijder luiden, naar den praesensstam van ’t werkw., maar werd verward met een synon. *ridde + Ohd. ritto, van denz. stam als ’t meerv. imp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ridder s.nw.
1. (histories) Middeleeuse krygsman wat in die ridderstand opgeneem is. 2. Lid van 'n ridderorde. 3. Man wat besonder hoflik en konsidererend teenoor 'n dame optree.
Uit Ndl. ridder (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1784 - 1785 in bet. 3), 'n afleiding van rijden 'ry'.
D. Ritter.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ridder: lid v. bep. orde v. getitelde edeles; Ndl. ridder (Mnl. ridder(e)/riddare/reddere/ruddere, “ruiter; krygsman; ridder; perd i. d. skaakspel”), Hd. ritter, hou verb. m. Ndl. rijder, Afr. ryer, Eng. rider, Hd. reiter en m. Ndl. ww. rijden, Afr. ry, Eng. ride, Hd. reiten; v. ruiter.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ridder (vert. van Frans chevalier)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ridder, van rijden: de man, die te paard rijdt (oorspr. die te paard dient; de ruiterij vormde oorspr. den voornaamsten stand der krijgsknechten). Later was men alleen ridder, als men in den ridderstand (de aanzienlijksten onder de edelen) werd opgenomen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ridder ‘adellijke titel; dappere strijder’ -> Duits Ritter ‘adellijke titel; dappere strijder’; Deens ridder ‘adellijke titel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ridder ‘adellijke titel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds riddare ‘adellijke titel; dappere strijder’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ritari ‘adellijke titel; dappere strijder, Bentlin’ ; Ests rüütel ‘adellijke titel’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ridder* adellijke titel 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1927. Ridder van de droevige figuur.

Eigenlijk Don Quichot, de hoofdpersoon uit den roman van Cervantes (1547-1616): El ingenioso hidalgo Don Quijote de la Mancha, waar (1, 19) de schildknaap Sancho Pansa zijn afgeranselden meester el caballero de la triste figura noemt. In scherts wordt deze naam gebezigd voor een ‘armzalig heertje’. Vgl. Winschooten, 346: Het is een bedroefde Ridder; Langendijk, Don Quichot, vs. 973: Zeg dat haar ridder van de droevige figuur met groote smart verlangt naar dat gelukkig uur; Tuinman I, 205: Hy moet echter al een voornaam Ridder van de droevige figuur zyn, van wien men zegt: Hy ziet als een uil in doods nood; Harreb. I, 191; Nkr. V, 16, 16 Sept. p. 2: Aalberse was sedert lang een ridder der droevige figuur; VIII, 17 Oct. p. 2. In het fr. chevalier de la triste figure; hd. Ritter der traurigen Gestalt; eng. the knight of the woeful(or rueful) countenance.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut