Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

richten - (mikken, bepalen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

richten ww. ‘mikken, bepalen’
Onl. rihten ‘sturen, richten’ in also thaz hoiued richtet cętera membra ‘zoals het hoofd de andere lichaamsdelen stuurt’ [ca. 1100; Will.]; mnl. richten, rechten ‘rechtop zetten, in stelling brengen’ in Si maecten grote breede damme. Ende rechten oec twee ramme ‘ze maakten grote brede dammen en brachten ook twee stormrammen in stelling’ [1285; VMNW] ‘mikken, in een bepaalde richting sturen’ in Sijn spere vertooch R. doe ende hevet gerecht op P. ‘toen hief R. zijn speer op en richtte die op P.’ [1350; MNW].
Afleiding van het bn.recht 1 ‘niet gebogen’. Richten is de klankwettige vorm met umlaut. Door analogie met het grondwoord ontstond daarnaast de nevenvorm rechten.
Os. rihtian ‘oprichten, beheersen’; ohd. rihten ‘oordelen, richten, sturen’ (nhd. richten); ofri. riuchta ‘recht spreken; vrijzweren, boeten, richten, heersen’ (nfri. rjochtsje); oe. rihtan; on. rétta ‘recht maken, ordenen’ (nzw. rätta); got. garaihtjan ‘richten, sturen’; < pgm. *rihtjan- (< ouder *rehtjan-) ‘recht maken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rechten* [rechtbuigen, een rechterlijke uitspraak doen] {rechten, richten [recht maken, recht doen] 1254} oudsaksisch rihtian, oudhoogduits, oudengels rihtan, oudfries riuchta, oudnoors rētta, gotisch garaihtjan; afgeleid van resp. recht1, 2, waarbij richten de klankwettig juiste vorm is, die met e o.i.v. recht staat.

richten* [rechtmaken, in een bep. richting laten gaan] {richten, rechten 1201-1250} oudhoogduits rihten, oudsaksisch rihtian, oudengels rihtan, oudnoors rētta, gotisch garaihtjan, afgeleid van recht1, waarbij de i de klankwettig (voor i resp. j van de volgende lettergreep) te verwachten vorm is, en de vorm rechten door heroriëntatie op recht ontstond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rechten ww. ‘rechtbuigen, oprichten; rechterlijke uitspraak doen’, mnl. richten, rechten ‘recht maken, sturen, richting geven; recht doen’, onfrank. rihten, os. rihtian, ohd. rihtan (nhd. richten), ofri. riuchta, oe. rihtan, on. rētta, got. garaihtjan. — In de 1ste bet. afl. van recht 1, in die van rechtspreken van recht 2. — Klankwettig is de vorm richten, die met e staat onder invloed van het grondwoord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rechten ww., met e naar recht I, II naast klankwettig richten, mnl. richten, rechten 1. “recht maken, sturen, een richting geven”, 2. “recht doen”. In bet. 1. van recht I, in bet. 2 van recht II = onfr. ohd. rihten (nhd. richten), os. rihtian, ofri. riū̆chta, ags. rihtan, on. rȇtta, got. ga-raíhtjan “recht maken, een richting geven e.dgl.”, in sommige talen ook met bett., van die van recht II afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

richten o.w., Mnl. richten, Os. rihtian + Ohd. rihten (Mhd. id., Nhd. richten): denomin. van recht; daarnevens rechten met e uit i voor cht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rig: lei, stuur; Ndl. richten/rechten (Mnl. richten/rechten), Hd. richten, vgl. reg en regter.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Recht (bijv.nw.) is als deelw. gevormd van den Idg. wt. reg = sturen, richten; vgl. ’t Lat. regere, ons: regeeren; verder: zich in een rechte lijn uitstrekken, evenals ons rekken (z. d. w.). In de bet. van rekken wil recht dus zeggen: niet afwijkend van de gestrekte richting, dus: niet krom. Zoo verkreeg recht ook de bet. van: in de goede richting gaande, juist, behoorlijk, billijk. Hiervan komt het z.nw. recht: wat goed, billijk is.
Uit de bet. van sturen, richten, leiden (zie boven) komt rechten of richten, waarvan rechter en richter = de bestuurder, de leider van een rechtszitting; de schepenen daarentegen moesten het oordeel, de straf bepalen. Mogelijk is rechten, richten ook uit recht (z.n.w.) ontstaan: recht spreken, recht uitoefenen. – Bij dit rechten, richten behoort ook: gerecht, gericht = 1°. de rechtsspraak, de rechtsoefening, en 2°. de gezamenlijke rechters: gericht houden over iets; bij het gerecht aanklagen; voor het gerecht (de rechters) verschijnen.
In rechtvaardig heeft varen de algemeene bet. van gaan; rechtvaardig is dus: wat recht gaat, evenals hoovaardig: wat hoog gaat (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

richten ‘rechtmaken, in een bepaalde richting laten gaan’ -> Zweeds rikta ‘rechtmaken, in een bepaalde richting laten gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands richt ‘rechtmaken, in een bepaalde richting laten gaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rechten* een rechterlijke uitspraak doen 1289 [VMNW]

rechten* rechtbuigen 1351-1400 [MNW]

richten* rechtmaken, in een bepaalde richting laten gaan 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut