Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rib - (dun been in borstkas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rib zn. ‘been in de borstkas’
Mnl. rebbe ‘rib’ [1240; Bern.], ribbe; vnnl. ribbe, rebbe ‘rib, bot’ [1573; Thes.].
Mnd. ribbe ‘rib’; ohd. rippa (nhd. Rippe); ofri. rib (nfri. ribbe); oe. ribb (ne. rib); on. rif (nzw. ref); alle ‘rib’, < pgm. *ribjō- (< ouder *rebjō-).
Verwant met: Oudkerkslavisch rebro ‘rib, zijde’ (Russisch rebró ‘rib’) en misschien met Grieks eréphein ‘overdekken’, órophos, óropḗ ‘dak’, bij de wortel pie. *(h1)rebh- ‘overdekken’ (LIV 496).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rib1*, ribbe [dun been in borstkas] {rib(be), rebbe 1201-1250} oudsaksisch ribbi, oudhoogduits rippi, oudfries rebb, oudengels ribb, oudnoors rif; buiten het germ. latijn orbis [kring, cirkel, hoepel], grieks orophos [dak], orophoō [ik voorzie met een dak], russisch-kerkslavisch rebro [rib].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rib of ribbe, znw. v., mnl. ribbe, rebbe v., os. ribbe o., ohd. rippi o., rippa v. (nhd. rippe v.), ofri. rib o., oe. ribb o., on. rif o. < germ. *reƀ-ja, waarmee te vergelijken osl. rebró ‘rib’, beide uitgaand van een wt. *rebh ‘zich welven over’, vgl. gr. erépho, erépto ‘van een dak voorzien’, órophos, orophḗ ‘dak’ (IEW 853). Daarnaast staat de wt. *rep, waarvoor zie: roef. — Zie ook: rips.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rib, ribbe znw., mnl. ribbe, rebbe v. (o.). = ohd. rippi o., rippa v. (mhd. rippe o. v., nhd. rippe v.), os. ribbi o., ofri. rib o., ags. ribb o., on. rif o. “rib”, germ. *re-ᵬja- (*reᵬ-jô-). Verwant met obg. rebro “rib”. Idg. *rebh-ro-, *rebh-jo- (-jâ-) beteekenden misschien oorspr. “overwelving”: dan zijn het afll. van de basis erebh-, waarvan gr. eréphō, eréptō “ik voorzie van een dak”, orophḗ “dak, gewelf”, wellicht ook ohd. hirni-rëba v. “hersenpan”, wsch. niet lat. orbis “kring”; ook onwsch. is de combinatie van *rebhro-, *rebhjo- met ier. ribar “zeef”, kymr. rhefr “anus, rectum”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rib v., Mnl. ribbe, rebbe, Os. ribbi + Ohd. rippa, rippi (Mhd., Nhd. rippe), Ags. ribb (Eng. rib). Ofri. reb, On. rif (Zw. ref, De. rev) + Osl. rebro: Idg. wrt. rebh = omslingeren, waarvan ook Hgd. rebe = rank, wijngaard.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rib s.nw.
1. Enigeen van die boogvormige bene om die borsholte. 2. (gewoonlik in die verkleinw. ribbetjie) Een rib of al die ribbebene aan die een sykant van die borsholte wat as gereg genuttig word. 3. Raamwerk van iets, bv. 'n skip of 'n tent.
Uit Ndl. rib (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm ribbetje.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die verkleinw. ribbetjie (1916 in bet. 2) en in die samestellings braairibbetjie, skaapribbetjie en soutribbetjie.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rib: dun geboë been v. ruggraat na borsbeen; Ndl. rib/ribbe (Mnl. ribbe/rebbe), Hd. rippe, Eng. rib, verw. buite Germ. onseker.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Een rib uit iemands lijf, een grote uitgave voor iemand.

In het scheppingsverhaal wordt verteld hoe God eerst Adam schiep, en hem een partner, Eva, schonk die Hij creëerde uit een van Adams ribben. 'Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij de mens' (Genesis 2:22, NBV). In oudere teksten (17e en 18e eeuw) werd ribbe daarom wel gebruikt voor 'vrouw, echtgenote'. Een rib uit het lijf in de betekenis 'een grote uitgave' zinspeelt op dit bijbelverhaal. Een enkele maal zijn we gebruik van alleen rib tegengekomen met een bijbelse associatie, zoals bijvoorbeeld: 'De geschiedenis, die stompzinnige keten van oorzaak en gevolg, moest worden gebogen en gebroken. Een nieuwe tijd werd gemodelleerd uit leem en een rib. Met blote handen tegen pantserwagens. Bloemen tegen traangas' (N. Noordervliet, De naam van de vader, 1994 (1993), p. 151). Dit is echter te weinig frequent om een vaste uitdrukking genoemd te worden.

Rijmbijbel (1271), v. 555-57. jn deesen slape te deeser stede / Nam god eene rebbe ende vlesch der meede / Ende maectere af .j. wiif alleene. (Tijdens deze slaap [van Adam) nam God een rib met wat vlees, en maakte alleen daarvan een vrouw.)
Tot slot een tweede kopje koffie, zonder gourmandises, want die zijn al op. De rekening kan opgemaakt worden en een rib is uit uw lijf. (Onze Taal, 1991, nr. 5)
De aanschaf van de Solo was inderdaad een rib uit ons lijf, hoewel de prijs voor een schip van deze klasse beslist niet te hoog is geweest. (Greenpeace, 1991, nr. 4)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

rib. In de historische eedformule bij Gods ribben worden God en zijn ribben tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die eedformule maakt haar tot vloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. Vooral in de Middeleeuwen gebruikt. In de 15de en 16de eeuw komt de variant bij den rebben, ribben voor. O.a. in Het spel vanden heilighen sacramente vander Nyeuwervaert. Zweren bi den ribben betekent daar volgens de tekstbezorger, W. Asselbergs, ‘bij de balken waaruit het kruis vervaardigd is’. Niet geattesteerd in het WNT. Wel in Mariken van Nieumeghen. → oog.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rib ‘dun been in borstkas; spant, lat’ -> Deens ribbe ‘wandrek; ribsel in breiwerk; rib in het blad of gewelf; steeltje; nerf; (dialect) dun been in borstkas; spant’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ribbe ‘dun been in borstkas; spant, lat’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ribba ‘lat’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ripa ‘spant in scheepsromp; handvat’ ; Frans riblette ‘hard stukje spek dat men kruidt en grilt’; Kupang-Maleis rebis ‘dun been in borstkas’; Creools-Portugees (Malakka) ribichi ‘dun been in borstkas’; Negerhollands rippe, reppe, ribi ‘dun been in borstkas’; Berbice-Nederlands rebu ‘dun been in borstkas; spant, lat’; Papiaments repchi (ouder: ribtsje) ‘dun been in borstkas’; Sranantongo lebriki, rebritji ‘dun been in borstkas, ribbenkast’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rib* dun been in borstkas 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut