Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reutelen - (rochelend ademen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reutelen* [rochelend ademen] {rotelen, reutelen [rammelen, ratelen, rochelen] 1351} iteratief van middelnederlands ru(y)ten [brommen, snorren], oudsaksisch, oudengels hrutan [snurken], oudfries hruta [rochelen], oudhoogduits (h)ruzan, oudnoors hrjóta [snurken], hoogduits rotzen [snotteren], grieks koruza [verkoudheid, snot]; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reutelen ww., mnl. rōtelen, reutelen ‘rammelen, ratelen; reutelen, rochelen’, nnl. dial. ruttelen ‘ratelen, pruttelen’ (Noordholl.) ‘kwanselen’, mnd. rōtelen ‘rochelen’, nhd. dial. rosseln, me. rotelen ‘rochelen’. — Iteratiefvorming van *hrŭtan naast abl. mnl. rūten ‘gonzen, snorren, schreeuwen’, os. hrūtan ‘snorken’, ohd. rūʒan, rūʒōn ‘snorken, knarsen, snorren’, oe. hrūtan ‘snorken, gonzen’, on. hrjōta ‘snorken, brommen, knorren’. Vgl. ook ohd. hroz, roz (nhd. rotz), oe. hrot ‘neusslijm’. — gr. kóruza ‘verkoudheid, slijm’. Idg. wt. *(s)kreu, waarvan met gutt-afl. rochelen; uitgangspunt is *(s)ker, waarvan raaf en roek.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reutelen ww., mnl. rōtelen (rȫtelen) “rammelen, snorren, rochelen”. = mnd. rōtelen “rochelen”, hd. dial. rosseln, meng. rotelen “id.”. Ablautend met mnl. rûten “gonzen, snorren, schallen, schreeuwen”, ohd. rûʒan, rûʒôn “snorken, knarsen, snorren”, os. hrûtan “snorken”, ofri. hrûta “rochelen”, ags. hrûtan “snorken, gonzen”, on. hrjôta “snorken, brommen, knorren”. Verwant met ohd. (h)roz m. o. (nhd. rotz m.) “snot”, ags. hrot o. “dikkige vloeistof “, gr. kóruza “verkoudheid, slijm”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

reutelen. Dial. ook ruttelen ‘ratelen, pruttelen’ (en dgl. bett.). Hetzelfde woord is noordholl. ruttelen ‘kwanselen’: voor de bet. vgl. de. prutte ‘dingen’ bij pruttelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reutelen ono.w., Mnl. rotelen = rammelen, rochelen + Hgd. rosseln, Meng. rotelen; hierbij met ablaut Mnl. ruten, Os. hrûtan, Ags. id., On. hrúta; verder Ags. hrot, Ohd. (h)roz (Nhd. ratz) = snot + Gr. kóruza = verkoudheid.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

reutelen* rochelend ademen 1351 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut