Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

respijt - (uitstel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

respijt zn. ‘uitstel’
Mnl. respijt ‘uitstel, pauze, opschorting’ in sal dit laken hebben .viij. werkedaghe respijt ‘moet dit laken acht werkdagen rusten (blijven liggen)’ [1294; VMNW], staet in respijt biden ontfanghere vij lib ‘heeft bij de ontvanger uitstel van betaling voor zeven pond’ [1295; VMNW], sonder respijt varen in tlant van T. ‘onverwijld naar het land T. reizen’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. respijt ‘uitstel, opschorting, tijd om tot rust te komen, enz.’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Oudfrans respit ‘uitstel, onderbreking’ [1155; TLF] (Nieuwfrans répit ‘respijt, uitstel’), ontwikkeld uit Latijn respectus ‘het acht slaan op, het aandacht schenken aan’, zie → respect; dat woord was in de Latijnse spreektaal ook ‘uitstel’ gaan betekenen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

respijt [uitstel] {respijt 1294} < me. frans respit < latijn respectus [het omkijken, rekening houden met, in me. lat. ook: respect, ontzag, het dulden, en vandaar verdaging, uitstel], van respicere (verl. deelw. respectum) [omzien], van re- [terug] + specere (in samenstellingen -spicere) (vgl. respect).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

respijt znw., mnl. respijt ‘uitstel, opschorting, verpozing’ < ofra. respit (nfra. répit) > gallo-rom. respectus ‘uitstel’, postverbiaal nomen bij lat. respectāre ‘tegemoet zien’ en dan ook ‘vertragen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

respijt o., uit Ofra. respit (thans répit), van Lat. respectum (-us) = aanblik, afgel. van ’t v.d. van respicere (z. raduis en spieden). Uit de bet. aanblik ontwikkelde respit de bet. aanzien, toegevendheid, uitstel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

respyt s.nw.
1. Uitstel van betaling. 2. Tyd vir ontspanning, rustyd.
Uit Ndl. respijt (al Mnl.).
Ndl. respijt uit Oudfrans respit uit Latyn respectus 'die omkyk, die ag slaan op'.
Eng. respite, Fr. répit.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

respyt: uitstel v. betaling; Ndl. respijt (Mnl. respijt, “uitstel”), soos Eng. respite, via Ofr. respit (Fr. répit) uit Gall.-Rom. respectus, “uitstel”, hou verb. m. Lat. respectāre, “tegemoetsien; terugkyk”, (dan ook) “uitstel”; vgl. ook respek.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

respijt (Oudfrans respit)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

respijt uitstel 1294 [CG I3, 2029] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut