Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reppen - (zich)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rapen ww. ‘oppakken om te verzamelen’
Mnl. rapen ‘bijeenbrengen, verzamelen’ in schapen Die hare weide gingen rapen ‘schapen die hun weide afgraasden’ [1265-70; VMNW], vt allen den ewangelien te rapene ende te ghederne ende oc tegader te uugene enen proces ... van ... Jhesu Christi ‘uit alle evangeliën bijeen te brengen en te verzamelen en ook samen te voegen een chronologisch verhaal over Jezus Christus’ [1291-1300; VMNW], Ic ... rape eyeren uut enen niste ‘ik raap eieren uit een nest’ [ca. 1410; MNW].
Mnd. rapen; mhd. raffen ‘grijpen’ (nhd. raffen); on. hrapa ‘zich haasten; vallen’ (nno. rape ‘uitglijden, vallen’). Daarnaast met umlaut en geminaat, en alle met betekenis ‘aanraken, beetpakken, in beweging brengen e.d.’ (zie ook → rap): mnl. reppen ((v)nnl. zich reppen ‘zich haasten’); mnd. reppen; ofri. hreppa; oe. hreppan, hrepian (me. repen ‘zich haasten’); on. hreppa (nijsl. hreppa); < pgm. *hrapjan-. Hierbij hoort ook ohd. raspōn ‘bijeenzoeken’ < *hrap-sōn-, zie → rasp. De bijbehorende wortel pgm. *hrap- heeft geen vergelijkbare vormen buiten het Germaans.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reppen, zich* [zich haasten] {rippen [ijlen, zich snel begeven] 1477} van rap3.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reppen ww., mnl. reppen ‘in beweging brengen; aanraken, opperen’, mnd. reppen ‘aanraken, bewegen, (de zeilen) hijsen, opperen, zich haasten, klimmen’, ofri. reppa, hreppa ‘bewegen, aanraken’, oe. hrepian, hreppan ‘aanraken’, on. hreppa ‘aanvatten, grijpen’. — Zie verder: rapen.

De bet. ‘zich snel bewegen’ vinden wij reeds bij Kiliaen; zij vindt steun in het bnw. rap.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reppen ww., mnl. reppen “aanraken, opperen”; de uitdrr. de trommel, het geweer reppen sedert de 16. eeuw. Zich reppen nog niet bij Kil., die wel voor reppen (“Fris.”) de bett. “movere: et Festinare, expedire” vermeldt. Mnd. reppen = “aanraken, bewegen, (de zeilen) hijschen, opperen, opnieuw te berde brengen, zich haasten (ook refl.), klimmen”. De laatste bet. ook in den Teuth. = ofri. (h)reppa “bewegen” enz.: zie bij rapen. Noord-oostmnl. rep(pe)lijc, mnd. ofri. replik = “roerend” (van goederen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reppen o.w., Mnl. id. + Ndd. id., Ags. hreppan (Eng. to rap), Ofri. reppa, On. hreppa (Zw. rappa, De. rappe): denom. van rap 2.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Reppen, denom. van rap; zie Rapen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reppen ‘(Vlaams) trekken, rukken, wieden’ -> Frans dialect rèper ‘wieden; afschrapen; grazen’.

reppen, zich ‘zich haasten’ -> Noors rappe sig ‘zich haasten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

reppen, zich* zich haasten 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut