Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rekel - (deugniet)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

rekel zn. ‘mannetjesvos; deugniet’
Nnl. rekelken ‘straathond’ (1550), rekel ‘waakhond’ (1552), ‘jachthond’ (1605), ‘mannetjeshond’ (1661). Toegepast op personen: rekel ‘schoft, deugniet’ (1552), ‘gierigaard’ (1561) ‘manspersoon’ (1623). Overgedragen op andere dieren: rekel-wolf ‘mannetjeswolf’ (1750), rekel ‘mannetjesvos’ (1857). Dialectaal rekel ‘mannetjeskonijn, rammelaar’ in Limburg.
Verwante vormen: Middelnederduits reke naast rekel ‘grote boerenhond’, Vroegnhd. Rache ‘speurhond’ (alleen in Gessner’s Thierbuoch, 1563; mogelijk Alemannisch dialect), Oudengels ræce, racca ‘speurhond’, Engelse dialecten rake ‘herdershond’, Oudnoors rakki m. ‘hond’.
Het woord rekel gaat terug op *rakila-, dat blijkbaar in het Nederlands-Nederduits is afgeleid van *rakan- ‘speurhond’. De andere Germaanse talen wijzen op PGm. *rakan- en *rakkan-. Beide zijn verzelfstandigd uit een PGm. woord voor ‘grote hond’ of ‘speurhond’ met nominatief *rakō, genitief *rakkan- (Kroonen 2013: 404). Het woord kan oorspronkelijk ‘speurder’ hebben betekend en horen bij het werkwoord rekken (PGm. *rakjan-), dat zich immers uit een betekenis ‘zich uitstrekken naar, zich richten op’ heeft ontwikkeld. Andere Nederlandse verwanten met a-klinker zijn rak ‘vaarwater’ uit *raka- ‘recht’ en raak ‘hark’.
[Gepubliceerd op 25-02-2016 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rekel [mannetjeshond, mannetjesvos, deugniet] {1550 in de betekenis ‘straathond’; de betekenis ‘deugniet’ 1552; de betekenis ‘mannetjeshond’ 1661; de betekenis ‘mannetjesvos’ 1857} vgl. rekel op het land [landbouwer] < middelnederduits rekel [grote boerenhond], vgl. oudengels ræce (engels rache ratch) [speurhond], oudnoors rakki [hond], vgl. engels to rake [het wild volgen (van valken en honden)].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rekel znw. m., sedert Kiliaen ‘huishond, hond van minderwaardig ras’, ook ‘vrek’, mnd. rēkel m., ‘grote boerenhond’. Er is alle aanleiding om met Holthausen PBB 13, 1888, 369 dit woord te verbinden met nhd. dial. rache ‘speurhond’, oe. ræcc, ræcca ‘jachthond’ (ne. dial. rake ‘herdershond’), on. rakki ‘hond’. — Gaat men uit van de bet. ‘jachthond’, dan kan men verbinden met oe. racian ‘lopen, richten’, on. rekja spor ‘een spoor vervolgen’, vgl. nog oe. racu ‘rivierbed’, ne. rake ‘baan, weg, spoor’. — Minder gelukkig schijnt de verbinding met rekken in de zin van een ‘lange hond’. In beide gevallen van dezelfde idg. wt. *reĝ ‘recht; zich uitstrekken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rekel znw., sedert Kil., die als bet. “huishond, hond van minderwaardig ras” opgeeft, benevens de overdr. bet. “vrek”. = mnd. rēkel m. “groote boerenhond”. Misschien oorspr. “lange, magere hond”: dan bij rekken. Dezelfde afl. is voor ags. ræcc m. “speurhond”, on. rakki m. “hond” mogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rekel m., + Ndd. rækel, Ags. raecc (Eng. rach), On. rakki (Zw. racka, De. rakke) = wellicht zooveel als lang gerekte hond, dus bij rekken. Wellicht van hier Fr. roquet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rekel (zn.) rotzak; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) raikel, Nuinederlands rekel <1552> < Duits Rekel.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

rekel, zn.: mannelijk konijn, rammelaar; stierkalf. Hetzelfde woord als Ndl. rekel ‘mannetjeshond, mannetjesvos’. Vnnl. rekel ‘straathond, mannetjeshond’, Mnd. rekel ‘grote boerenhond’. Oe. ræcc ‘speurhond’, On. rakki ‘hond’. De grondbetekenis is misschien ‘jachthond’, vgl. E. to rake ‘het wild volgen’, rake ‘weg, spoor’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

rekel: onbeschoft persoon; schoft*. In deze betekenis reeds opgetekend in de zestiende eeuw. Ook Bredero gebruikte het: ‘Wie souwt verdraghen kuenen, De trotsche woorden die de rekel myn toesnaeuwt?’

Schaam jij je niet, rooie rekel, wat moet ik daarvan denken. (Jacobus van Looy, Jaap, 1923)
Die Toon is een brutale rekel. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rekel (Duits Rekel)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rekel ‘mannetjeshond; deugniet’ -> Duits Rekel ‘deugniet’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens rækel ‘hondensoort; slungel, lui persoon; lelijk en zwaar voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds räkel ‘bonestaak, slungel’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rekel deugniet 1552 [WNT] <Nederduits

rekel mannetjeshond 1661 [WNT] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal