Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rek - (gestel van latten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rek zn. ‘samenstel van latten e.d.
Mnl. rec, recke ‘staak, stok (met dwarshout?)’ in dat sij sitten ongebonden vp .i. rec ‘dat ze los op een stok zitten’ [1287; VMNW], ‘samenstel van latten, om laken of kleding aan te bevestigen’ in .iii. reken ‘drie droogrekken voor lakens’ [1294; VMNW], Die cledere hanctmen op die recke [1300-50; MNW-R]. Daarnaast ook in de vorm rac in een sperwaer op een rack [1462; MNW rac], bonte cleder vanden raecken [1470-90; MNW-R].
Wrsch. is dit hetzelfde woord als onl. rek, mnl. rec(ke), rac(ke) ‘strook land aan het water; recht gedeelte van een waterloop’, in Latijnse context in in ... piscationem qui dicitur Langenrech ‘in een viswater dat Langerak genoemd wordt’ [788-789, kopie begin 13e eeuw; Künzel], tende vanden recke te meren ‘aan het eind van de strook land bij het meer’ [1280; VMNW], tAmmerack ‘het Damrak’ [1493; MNW rac].
Ontstaan uit Proto-Germaans *rakja-, met umlaut van de stamklinker. Daarnaast zijn er Noordzee-Germaanse vormen met -a- zonder umlaut.
Mnd. rick, reck ‘staak, stok; kledingrek’; mhd. ric, ricke ‘id.’; nfri. rak ‘rek, recht stuk vaarwater’, rek, rik ‘zitstok voor kippen’; nzw. räcke ‘rek; leuning (van brug, trap e.d.)’; < pgm. *rakja-, rekja-. Deze woorden horen wrsch. bij de stam van → rekken < pgm. *rakjan- ‘strekken’.
De oorspr. betekenis was ‘voorwerp met een langwerpige, gestrekte vorm’. In het Nederlands leidde dit enerzijds tot ‘stok’, i.h.b. ‘stok met een dwarshout, om laken of kleding aan te bevestigen’, dat zich later uitbreidde tot ‘samenstel van stokken, latten e.d. met dezelfde functie’ en vandaar ook met betrekking tot andere materialen en functies. Anderzijds ontwikkelde de betekenis zich tot ‘langwerpig stuk land aan het water’ en vandaar ‘recht gedeelte van een vaarwater’, die vooral als rak in Noordwest-Nederlandse toponiemen bewaard is gebleven (Damrak, Gouderak, Langerak). De naam Skagerrak voor doorgang tussen Jutland (Denemarken) en Noorwegen is van Nederlandse herkomst en werd aanvankelijk gegeven aan de langgerekte doorgang tussen Jutland en Zweden die nu Kattegat (eveneens een Nederlands woord) heet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rak1* [gestel] {rac [staak, rek] 1462} nevenvorm van rek1.

rek1* [gestel van latten] {rec(k), recke [staak, rek om iets op te hangen, folterwerktuig, afstand] 1287} van rekken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rak 1 znw. o. ‘samenstel van latten om er iets in te zetten’, mnl. rac ‘staak, stang, rek’, nnd. rack, ne. rack is een nevenvorm van rek 1 in het kustgebied van de Noordzee van de Schelde tot aan de Wezer.

rekke 2 znw. v. ‘lange stok van de vogelaar’ behoort bij rek 1.

rek 1 znw. o., mnl. rec, recke, ricke o. ‘staak, rek om iets op te hangen, folterwerktuig, afstand’, mnd. rek, recke, ricke, rik o. ‘staak, rek’, mhd. ric ‘horizontaal rek, stang of lat, om er iets aan te hangen’ (nhd. reck).

Er zijn verschillende mogelijkheden voor verklaring. — 1. Men kan teruggaan op een idg. wt. *reĝ ‘recht’, dus dan te verbinden met rak 2 en rekken. De bet. geeft daarvoor weinig steun. — 2. Men kan verbinden met rak 1 en uitgaan van een bet. ‘stang, lat’ en dan aanknopen aan ra van de idg. wt. *rek vgl. lit. rékles ‘droogrek van stangen’ (IEW 863); dan moet men de -kk- verklaren als affectieve verscherping in het germ. — 3. Men kan aanknopen aan nnoorw. rjaa m. ‘stang voor het drogen van graan’ (< *rīhan) en verder aan lit. rýkšte, lett. rīkste, riste, opr. riste ‘dunne lat’, hetgeen voert op een idg. wt. *reik ‘stang, lat’. Ook dan is de -kk- als jongere verscherping te verklaren (Kluge-Mitzka 589). Bij deze afleiding valt het echter moeilijk het woord rak 1 te verklaren en daarom is het beter van een wt. *rek uit te gaan. — De moeilijkheden van de aanknoping aan de groep van rekken vervallen, wanneer men de aldaar meegedeelde verklaring van J. Trier aanneemt. — Waarschijnlijk > me. rekke (1305), ne. rack ‘stellage, folterwerktuig’, vgl. het ww. me. rakken (1433) ‘folteren’ (vgl. Toll 32).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rek znw.o., mnl. rec (ck), ook recke en ricke o. “staak, rek om iets op te hangen, een folterwerktuig, afstand”. = mnd. rek, recke, ricke, rik o. “staak, rek, toestel om iets op te zetten” (nhd. reck o.). Grondvormen wsch. germ. *rakja- en *rekja-. Verwant met rak en rekken. Voor de bet. vgl. lat. rêgula “liniaal, stang, lat, lijst”, dat van dezelfde basis reĝ- komt.

rekke II (lange stok van den vogelaar). recke o. Zie rek.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rek 2 o. (werktuig), Mnl. rec: afl. van denz. stam als rak en rekken.

rekke 1 v. (stok), hetz. als rek 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

rak I: stellasie vir boeke, klere, ens.; Ndl. rak (Mnl. rac), soms ondersk. v. rek, soms nie, Eng. rack word, soos rafel (q.v.), as ’n Ing. wd. beskou.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rek, rak ‘gestel van latten’ -> Engels rack ‘braadijzer; ruif; gestel van latten’; Deens reck, ræk ‘rekstok voor gymnastiek’ (uit Nederlands of Duits); Deens rack ‘gestel van latten’ ; Zweeds räck ‘rekstok voor gymnastiek’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins rekki ‘gestel van latten (bij sport)’ ; Esperanto rako ‘gestel van latten; ruif’ ; Indonesisch rak, rék ‘gestel van latten; kastplank’; Boeginees rak, rak-rak ‘gestel van latten’; Jakartaans-Maleis rak ‘bordenrek, lattenkast’; Javaans erak, rak ‘stellage, rek’; Madoerees ra', ērra' ‘een keukenkast op hoge poten voor het eten’; Madoerees ērrek ‘rek, bergplank’; Menadonees rak, rèk ‘gestel van latten’; Petjoh rak ‘gestel van latten’ ; Singalees rākka-ya ‘gestel van latten’; Tamil dialect rākki ‘gestel van latten’; Papiaments rèki ‘gestel van latten’; Sranantongo leki ‘gestel van latten’; Surinaams-Javaans règ ‘gestel van latten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rek* gestel van latten 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1913. Een rakje in den wind (of het zeil),

d.w.z. tegenspoed, wanneer het niet vóór den wind gaat. Onder een rak(je) verstaat men ‘een end, of endje sees, of weegs, dat men nog te seilen heeft’ (Winschooten, 201); thans een gedeelte van een kanaal, afwijkende van de hoofdrichting, kromming in eene vaart of rivier (Molema, 340; Boekenoogen, 808; fri. rak, rek, een recht of nagenoeg rechtloopend gedeelte van een vaarwater). Een rakje in den wind (of het zeil) wil dus zeggen: een eindje in den wind op, met tegenwind. De uitdrukking dateert uit de 17de eeuw; zie Cats I, 458; Winschooten, 201: Daar is een rakje in de wind, daar is eenige haapering, en teegenspoed; Tuinman I, 143; Harreb. II, 209; Van Lennep, Ferd. Huyck: Wij hadden altijd voordewind en geen rakje in 't zeil gehad; Boekenoogen, 808: As er maar geen in-de-winds-rakkie komt, als er maar geen letsel komt. Syn. in de 18de eeuw: een rukje in den windNdl. Wdb. XIII, 1811..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut