Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reiziger - (iemand die reist)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

reiziger zn. ‘iemand die reist’
Mnl. reysiger ‘soldaat te paard’ [1434; MNW], mitten ruteren, die daer omtrent waren, so reysiger ende voetknechten twee hondert ‘met de soldaten die daar in de buurt waren, tweehonderd ruiters en voetsoldaten’ [1481-83; MNW]; vnnl. reysiger ‘iemand die reist’ [1573; Thes.], sotte Reijsigers die vermaeck scheppen in 't praten van vreemde Landen [1641; iWNT].
Ontleend aan Middelhoogduits reisiger ‘soldaat te paard’ [14e eeuw; Kluge], zelfstandig gebruik van het bn. reisig ‘op krijgstocht zijnde, bewapend, bereden’, afleiding van reise ‘krijgstocht’, zie → reis, met het achtervoegsel -ig, zie → -ig.
In het Duits is het woord alleen nog als historisch begrip voor ‘middeleeuwse soldaat te paard’ bekend. Onder invloed van de betekenisovergang reis ‘krijgstocht’ > ‘tocht, rit in het algemeen’ kreeg in het Nederlands ook reiziger de algemene betekenis ‘iemand die reist’.
Lit.: Philippa 1987

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reiziger [die reist] {reisiger [ruiter, man te paard] 1434; de huidige betekenis 1599} is vermoedelijk geleend < middelhoogduits reisiger, de sterke m. vorm van reisic [op reis zijnd, voor een krijgstocht dienend, bereden] (hoogduits der Reisige [de ruiter]), middelnederlands reisisch [voor een krijgstocht toegerust, bereden] (ook onder duitse invloed). De huidige betekenis van ‘reiziger’ berust op reizen en op middelnederlands reiser [reiziger].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reiziger znw. m., laat-mnl. reisigher ‘man te paard’, Kiliaen ‘reiziger’ (maar hij noemt het woord vetus), zal wel stammen < mhd. reisiger, de sterke vorm van het bnw. reisic ‘op reis zijnd, uitgerust, bereden’ (nhd. der reisige ‘ruiter’), vgl. laat-mnl. reisich ‘voor een krijgstocht dienend, bereden’ (onder mhd. invloed), ook ‘slank’ (zie: rijzig), mnd. reisich. — Het woord bet. dus eig. ‘bereden’ > ‘tot de krijgstocht uitgerust’ en de nnl. bet. is toe te schrijven aan de invloed van reizen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reiziger znw., in de tegenw. bet. sedert Kil., die ’t “vetus” noemt; laat-mnl. oud-nnl. reisigher m. = “man te paard”. Wsch. is ’t het ontleende mhd. reisiger, de sterke m. vorm van reisic “op reis zijnde, voor een krijgstocht dienend, uitgerust, bereden” (nhd. der reisige “de ruiter”) = laat-mnl. oudnnl. reisich “voor een krijgstocht dienend, bereden” (wsch. ook onder du. invloed), ook “slank” (nnl. rijzig), mnd. reisich in dezelfde bett. De nnl. bet. van reiziger berust op invloed van reizen en ’t al mnl. reiser m. “reiziger”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reiziger m., Kil. reysigher (= ruiter) + Nhd. reisige: het zijn verbogen vormen van ouder Ndl. reysich + Mnd. reisec = rijdend, reisvaardig, dat zelf een afleid. is van rijden. Later bracht men het in verband met reizen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

reisiger s.nw.
1. Iemand wat 'n reis onderneem. 2. Iemand wat vreemde lande besoek. 3. Toeris. 4. Handelsreisiger. 5. Ontdekkingsreisiger.
Uit Ndl. reiziger (1573 in bet. 1, 1599 in bet. 2, 1840 in bet. 3 en 4, 1871 in bet. 5). Die vorm reysiger kom in Mnl. voor, maar dan alleen in die bet. 'ruiter'. Die Mnl. vorm vir 'reisiger' is reiser.
Ndl. reiziger uit D. Reisiger.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

reiziger (Middelhoogduits reisige(r))

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Reis, van den Germ. wt. ris, ons rijzen (z. d. w.) = loodrecht omhooggaan. Reis bet. dus oorspr. het opstaan, het opbreken voor den tocht; later: de tocht zelf. Het Mnl. bijv.nw. reiseg bet. reisvaardig, waaruit ons: reiziger ontstond.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

reiziger die reist 1599 [Kil.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut