Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reizen - (een reis ondernemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

reis zn. ‘tocht’
Mnl. rese ‘rit, tocht, krijgstocht’ [1240; Bern.], in sherthoghen reese ‘op krijgstocht met de hertog’ [1271-72; VMNW], dan ook reise in orloghe of reisen ‘oorlogen of militaire expedities’ [1298; VMNW], TUtrecht, daer die ierste voederinghe was van dier reysen ‘in Utrecht, waar de eerste proviandering van de reis plaatsvond’ [1377-78; MNW].
Mnd. reise ‘vertrek, reis, veldtocht, keer’ (vanwaar door ontlening on. reisa ‘reis’, nzw. resa); ohd. reisa ‘vertrek; reis, tocht’ (nhd. Reise); < pgm. *raisō-, afleiding van *reisan- ‘zich opheffen’, zie → rijzen.
De te verwachten Nederlandse woordvorm is *rees < mnl. rese, zoals nog in de oudste attestaties. De gebruikelijke vorm was echter al in het Middelnederlands reys(e), reis(e).
reizen ww. ‘een reis maken’. Mnl. resen ‘een krijgstocht maken’ [ca. 1350; MNW], reysen ‘een reis maken’ [1404-48; MNW]. Afleiding van reis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reizen ww. mnl. reisen, rêsen ‘op weg gaan, reizen, een veldtocht doen’, mnd. reisen, rēsen ‘id’, ohd. reisōn ‘op weg gaan, toerusten’ (nhd. reisen). — Denominatief ww. van reis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reizen ww. Zie reis. mnl. reisen (rêsen) “op weg gaan, reizen, een veldtocht doen” (vooral laat- en noordmnl.) = ohd. reisôn “op weg gaan, toerusten” (nhd. reisen), mnd. reisen, rêsen “op weg gaan, reizen, een (veld)tocht ondernemen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reizen ono.w., Mnl. resen + Mhd. (Nhd.) reisen, On. reisa, waaruit Eng. to raise: denom. van reis.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2reis ww.
1. Van een plek na 'n verwyderde plek gaan. 2. Planmatig na verskeie plekke gaan om kennis op te doen, of vir vakansie.
Uit Ndl. reizen (Mnl. reisen in bet. 1, 1632 in bet. 2), 'n afleiding van reis (sien 1reis).
D. reisen.
Vgl. 2rys.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

reizen (reisde, heeft gereisd), (ook:) werpen met een reis* bij knikkerspel. Had B maar één knikker, dan had hij mogen roepen: ’sroitji no keri pot’ (niet gedurende het hele spel werpen), waarna hij ook weer had mogen werpen, maar niet reizen, bij deze speelbeurt (Nekrui 11).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reizen ‘een reis ondernemen’ -> Engels † reise ‘op krijgstocht gaan; een tocht maken’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Deens rejse ‘een reis ondernemen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors reise ‘een reis ondernemen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds resa ‘gaan, een tocht ondernemen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands reis ‘een reis ondernemen, trekken, rondzwerven’; Sranantongo rèis ‘een reis ondernemen’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

277. Op den boer gaan (loopen, reizen),

of ook den boer opgaan of zijn, d.i. het platte land afreizen om iets te verkoopen of te bedelen; later ook spottend gezegd van iemand, die voor politieke doeleinden daar lezingen houdt. Ook zegt men hiervoor den boer (de huizen der boeren) afloopen. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; zie Van Moerk. 147. In de middeleeuwen zeide men op de gaerde loopen (d.i. op iemands hof of bezitting loopen; hd. auf der Garde oder der Wurst reiten); gaerden, termine wanderen - loopen; op termine gaen, d.i. een bepaalde streek afloopen om te bedelen, inzonderheid van bedelmonniken gezegd; Ndl. Wdb. IV, 104; Antw. Idiot. 264 en Tijdschr. VI, 299.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut