Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reinevaar - (volksnaam of oude naam voor diverse plantensoorten)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reinevaar*, reinvaar [naam van diverse planten] {rein(e)vane, rein(e)vaer 1253} het eerste lid is rein2, reen; het tweede lid is vaan(tje) en de betekenis is dus ‘vlag in de rand van de akker’. De vorm vaan werd tot vaar door volksetymologische associatie met varen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reinevaar znw. v. (gewestel.) ‘boerewormkruid’, ook reinevaren, nederrijns reynevaer (1420; vgl. nhd. rainfarn), mnd. reinevar(ne). Ook reeds mnl. reinvaer. — Wegens de varenachtige bladeren werd het 2de lid als varen opgevat, de oudere vorm is echter mnl. reinvane, reinevaen (nog. vla.), ohd. rein(e)fano, mhd. reinvane, mnd. reinevane. — Het woord bestaat uit het onder reen behandelde woord voor ‘akkerrand’ en het woord vaan en betekent dus eig. ‘vaantje in de akkerrand’. — Uit het nnd. stammen nnoorw. reinfan, reinfar, nde. reinfan, reinfang, nzw. renfana.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reinevaar znw., mnl. reinevaer m., nnl. dial. ook reinevaren. = nederrijnsch (1420) reynevaer (nhd. rainfarn), mnd. reinevar(ne) “reinevaar”. Vervormd (onder invloed van varen I) uit mnl. reinevāne (nog dial. vla.), mhd. reinvāne (reeds ohd. reinivano), mnd. reinevāne m. “id.” ’t Tweede lid is vaan, ’t eerste is mnl. rein, reen m. “verhoogde zoom als grens dienend, grens” (vooral limb., nnl. dial. ook elders), mhd. rein m. “verhoogde zoom als grens, helling, dijk” (nhd. rain), mnd. rein m. “(verhoogde zoom als) grens”, on. rein v. “met gras begroeide rand als akkergrens”. ’t M. germ. znw. = ier. roen, mier. raon “weg, rij bergen”, bret. run “heuvel” < *roino-. Uit ’t Germ. fr. rain “grens”. Ontleend zijn: de. regnfan, regnfang, zw. renfana “reinevaar”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reinevaar v., Mnl. reinevaer + Hgd. rainfarn, volksetym. vervorming uit Mnl. reinevane + Ohd. reinifano, De. reinfan, Zw. renfana: uit vaan en *rein + Ohd., Mhd., Nhd. id., On. rein (Zw. en De. ren) = akkergrens, streep lands + Oier. roen = rij bergen, Bret. run = heuvel.

Thematische woordenboeken

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Tanacétum | Tanacétum vulgáre: Boerenwormkruid
De herkomst van de geslachtsnaam Tanacetum is niet duidelijk en ligt min of meer in het duister. Voor het eerst komt de naam tanazitam in de ‘Capitulare de villis’ van omstreeks 795 voor. Men meent dat de naam afkomstig is van het Griekse woord tanaos: langdurend, omdat de bloemen niet snel verwelken en de geur niet spoedig verdwijnt. Volgens Niessen is Tanacetum eveneens afkomstig van het Griekse tanaos, maar dan in de betekenis van lang gerekt (taenea: lintworm, en akeesthai: helen), omdat de plant gebruikt werd als middel om ingewandswormen te verdrijven. Een andere opvatting is dat Tanacetum afgeleid is van het Griekse athanasia, hetgeen onsterfelijk of eeuwigdurend beduidt en dus eveneens attendeert op de lange houdbaarheid van de bloeiende plant.
In oude kruidboeken komt men haar dan ook tegen onder de Latijnse benaming van Herba immortalis: onsterfelijk kruid. De naam athanasia werd door Linnaeus gebruikt als geslachtsnaam voor de Immortellen of Strobloemen, thans Helichrysum.
De naam Boerenwormkruid kreeg deze soort omdat de landelijke bevolking haar gebruikte om maden en ingewandswormen te verdrijven; andere namen die hierop attenderen zijn: Pierenkruid, Pierenkruud, Wiermskrûd, Wild wormkruid, Wormkroed, Wormvaren, Wormzaad en Wurmkruid. In een oud kruidboek vinden we vermeld: ‘Het saet van dit cruydt wordt van het gemeen volck tegen de wormen des buycks, soo wel de lange als de ronde, gebruyckt: want het jaegt die uut, en doodtse, in wat manieren dattet ingenomen wordt.’ De verdrijving van de ingewandswormen wordt veroorzaakt door de sterke etherische olie die de plant bevat. Uitwendig werd de olie bij rheuma gebruikt. De jonge bloemknoppen verwerkte men vroeger in eierkoeken, die men dan aan kinderen gaf om maden en darmparasieten te verdrijven. In de omgeving van Winschoten bezigden de veehouders het kruid eveneens om het vee van ingewandswormen te ontlasten.
De knoopvormige, goudgele bloemhoofdjes waren oorzaak dat men in Zeeuws-Vlaanderen sprak van Knoopjes. Het is nog niet duidelijk waarom men, gezien de goudgele kleur van de bloemhoofdjes, in Friesland haar de naam gaf van Zil-verknoopjes. De naam Kruidwes, in Zuid-Limburg aan de plant gegeven, slaat op het gebruik om haar met andere bloeiende planten te verwerken in kruidwissen die op 15 augustus, Maria tenhemelopneming, naar de kerk gebracht worden om aldaar door de priester te worden gewijd. Vaak bestond zo’n tuil alleen uit bloeiende exemplaren van het Boerenwormkruid. In Salland en de Achterhoek heet de plant Reinevaar, en in Zuid-Limburg spreekt men van Reinvaren. Deze namen zijn volgens ons van Duitse oorsprong, waar zij Rainfarn genoemd wordt, en het is duidelijk dat de namen in de genoemde Nederlandse gebieden zijn overgenomen en verbasterd tot Reinevaar en Reinvaren. Trouwens de taal- en spraakgrens tussen deze gebieden is nooit scherp getrokken geweest. In de vroege middeleeuwen heette zij in het Duitse taalgebied Rainevane, Reinefano, en bij Hildegard von Bingen Reynfan. De naam Rainfarn is een verbastering van de genoemde middeleeuwse namen, zoals Reinevane. Dit ‘farn’ in plaats van ‘fan’ was voor de landelijke bevolking begrijpelijker, want de geveerde bladeren hebben iets weg van die van varens. In de loop der eeuwen werd het fan niet meer gebruikt en werd en bleef het Rainfarn. Zo vinden we bij Dodonaeus (1608) de naam Reynvaer, maar in ‘Den grooten Herbarius’ van 1514 staat zij nog genoemd als Reinvaen.
De naam is aldus te lezen: een plant die als een vaan of vlag aan de reen of rein staat. Dit rein of reen beduidt een berm, een verhoogde zoom of grens tussen twee akkers. In het Duits betekent Rain eveneens berm, en Fahne vaan. In Twente komt volgens de opgave van Heukels de naam Gingber voor. Wat betekent deze naam? Heeft het iets met gember te maken en/of met het gebruik van het kruid in de eierkoeken om de smaak te verhogen?
Behalve als wormmiddel werd Boerenwormkruid ook gebruikt bij nier-, blaas- en maagkwalen. Ook als koortswerend middel stond het bekend, waaraan de bittere smaak niet vreemd zal zijn. In de volksgeneeskunst hebben bitter smakende planten ter bestrijding van koorts altijd in de belangstelling van de bevolking gestaan.
Het kruid werd in 1908 door een Berlijnse theehandelaar - als geluksthee -aangeprezen en in omloop gebracht als een universeel geneesmiddel. Vanwege deze ontoelaatbare praktijken werd de handelaar door de overheid gestraft. Vroeger werd de olie in de kosmetische industrie aangewend. Of de kinderen thans nog de goudgele bloemhoofdjes als ‘geld’ gebruiken om er mee te spelen is ons niet bekend. Om het huis te vrijwaren van heksen en ander gespuis moest men de plant in de haard werpen. De rook zou dan wel de rest doen.

Potentílla anserína: Zilverschoon
De soortnaam anserina: van de ganzen, kreeg de plant omdat de ganzen haar gaarne eten. We vinden dit bevestigd bij Toxites, want hij schrijft: ‘Genserich, das die Genns dis Kraut gerne fressen.’ Zo hakte men ook het blad klein om het aan de ganzen te voeren. We vinden in vele volksnamen de naam gans terug, zoals Ganzerik en Genserik. Deze namen zijn zeer oud, want in ca. 1150 schrijft Hildegard von Bingen over Gänsekrut. Oude namen uit de middeleeuwen zijn: Grensinc, Grensinck en Grensich; later zijn uit deze namen ontstaan Gensrijk en Gerne.
Een zeer veel voorkomende naam is Zilverschoon, vanwege de glanzende zilverkleurige onderzijde van het blad. De wetenschappelijke naam was eertijds Potentílla argéntina; argentina van het Latijnse argentum: zilver. Dit argentum vinden we terug bij Fuchs (1543), die de plant Argentine noemt. Behalve Zilverschoon komt men plaatselijke namen tegen die eveneens op het zilverachtige duiden: Zilverblad, Zilverkruid, Zulverbladen en Zulverschoon. Volgens John Gerard, in zijn The Herball van 1597, is deze naam ontstaan vanwege de zilverachtige druppels van de luchtbellen, die men waarneemt wanneer men het blad in een glas water stopt en die men ziet opstijgen als men het glas schudt. Enige namen die eveneens duiden op de blinkende zilverachtige onderkant van het blad zijn: Blik in Groningen, Blijk in Friesland, Blikgras in Groningen, en Rutjeblik in Waterland. Dit rutje hier te verstaan als onkruid of rut. Deze namen verbonden met blik hebben hun oorsprong in het middeleeuwse blic, de toenmalige naam voor Zilverschoon.
In het graafschap Zutphen spreekt men van Reinevaer en in West-Friesland van Raineva; deze namen duiden op de overeenkomst in bladvorm met het Boerenwormkruid (Tanacétum vulgáre) dat eveneens Reinevaar genoemd wordt.
Slaan we Dodonaeus op dan lezen we: ‘In Brabant heet dit cruyt Ganserick; in Hooch Duytschland Grensich, ende Genserich: in Vranckrijck Argentine. Den Latijnschen naem is nu Argentina, oft Potentilla: somtijts oock Agrimonia sil-vestris, oft Tanacetum silvestre, dat is Wilde Agrimonie, oft Wilde Reinvaer.’ Dit algemeen voorkomend plantje heeft diverse wetenschappelijk namen gehad. We noemen Argentína vulgáris, Argentína anserína, Fragária anserína en Dactylophyllum anserína. Bij de Ouden vinden we het Zilverschoon niet vermeld, want het kwam in die tijd niet in het mediterrane gebied voor. Later verspreidde de plant zich behalve over Europa ook over de andere werelddelen en werd langzamerhand een kosmopoliet.
De vorm van het blad met zijn veerspletige of gezaagde blaadjes gaf ook aanleiding het blad te vergelijken met dat van varens en dus sprak men van Varen, zonder meer. De naam Muskuskruid, die voor Texel genoteerd staat, is ons niet duidelijk, want naar muskus ruiken doet het Zilverschoon niet. In het Land van Hulst en op Zuid-Beveland spreekt men van Boterblom, vanwege de gele kleur en de vorm van de bloem. De namen Berkhouterklaver in West-Friesland en Waterland, en Eernewoudsterklaver in het Friese Idaarderadeel zijn als plaatselijke schimpnamen te beschouwen. Aangezien zij veel looistof bevat werd de plant in de volksgeneeskunst aangewend bij diarree, dysenterie en als krampstillend middel. Heel oud is het gebruik om het aftreksel te gebruiken bij oogontsteking, uitslag op het gezicht en als gorgeldrank bij tandpijn. Een oud recept luidt: ‘Voor bloedigh Tandtvleesch, ende losse Tanden: Wascht het tant-vleesch met het afzietsel van Ganserick met gestaelt Water ofte roode Wijn bereydt.’ In die tijd was zij in de apotheek bekend als ‘Herba Anserinae.’

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reinevaar ‘naam van diverse planten’ -> Deens rejnfan, regnfang ‘naam van diverse planten’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors reinfann, reinfar ‘naam van diverse planten’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut