Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rein - (berm)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rein2*, reen [berm] {rein, reen [verhoogde berm of bos (als grens dienend), grenspaal] 1401-1500} middelnederduits re(i)n, oudhoogduits rein-, rain-, oudnoors rein(a); daarnaast oudiers róen [weg, route], bretons run [heuvel], van een stam die ‘scheuren’ betekent.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reen znw. m. ‘grens, grenslinie’, verouderd, maar nog in reengenoot, mnl. reen, rein, m. Kiliaen reen, reyn ‘vetus’ (Sax. Fris. Sicamb.), mnd. rein, rēn, ohd. rein-, rain- (nhd. rain), on. rein, reina v. ‘strook ongeploegd land tussen akkers, grensstrook’. — Alleen kelt. verwanten: oiers rōen ‘weg, bergketen’, bret. reūn (< *roino) ‘heuvel’.

n-afl. van de idg. wt. *rei ‘ritsen, scheuren’, vgl. nnoorw. dial. raa (< *raihō) ‘veldscheiding’ naast reig m. ‘rij ‘ en oe. rāw, rœw (< *roi-u̯ā) ‘rij ‘. (IEW 857). Misschien gaat de bet. ‘akkerscheiding’ terug op ‘gevlochten heg tussen de akkers’, zie daarvoor AEW 438-439). — mnl. rein > ofra. rain, rin (sedert 1376; vgl. Valkhoff 209).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

reen, reem, rein, riem, rien, zn.: akkergrens, grenslijn. Mnl. reen ‘grens’, Vnnl. reen, reyn, pael ‘grens’ (Kiliaan). Mnd. rein, Mhd., Ohd. rein, D. Rain ‘akkergrens’, On. rein, N. rein(a), De., Zw. ren. Oudiers róen ‘weg, route’, Bretons run ‘hoogte’. Verwant met Lat. rîma ‘spleet, scheur’, Letlands rieva ‘voor’. Idg. wortel *rei- ‘scheuren, rijten, snijden’ (Hand. KCTD XVIII (1944), 95-106). Samenst.: reengenoot, reensteen, reinstein. Afl. reinen ‘grenzen aan’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

reen, ree, reem, riem, zn.: akkergrens. Mnl. reen ‘grens’, Vnnl. reen, reyn, pael ‘grens’ (Kiliaan). Mnd. rein, Mhd., Ohd. rein, D. Rain ‘akkergrens’, On. rein, N. rein(a), De., Zw. ren. Oudiers róen ‘weg, route’, Bretons run ‘hoogte’. Verwant met Lat. rîma ‘spleet, scheur’, Letlands rieva ‘voor’. Idg. wortel *rei- ‘scheuren, rijten, snijden’ (Hand. KCTD XVIII (1944), 95-106).

remel 1, zn.: bijweg, toepad. Wellicht dim op -el van reem; zie reen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

reem, reme, riem zn.: jaap, snee met een mes, scheidingslijn tussen gespitte en ongespitte grond. Variant met andere eindnasaal van Mnl. reen ‘verhoogde berm als grens, grenspaal’, Ohd. rein, Mnd. rein, D. Rain ‘akkergrens’, On., N. rein, De., Zw. ren. Verwant met Lat. rîma ‘reet’. Idg. *rei- ‘rijten, snijden’. Afl. ww. remen ‘een jaap geven’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

reen, reem, riem akkergrens (Limburg, oostelijk Brabant). = ono. rein ‘met gras begroeide strook als akkergrens’, hgd. rain ‘grasrand, grensstrook’, miers rōen ‘weg, rij bergen’. Van een wortel die ‘scheuren, rijten’ betekent.
HCTD XVIII 95-106, Bernaerts 95, WBD 248-249, IEW 857-858, Goossens 1963 II, 27-27.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reen, rein ‘(gewestelijk) berm, grens tussen twee akkers’ -> Frans rain ‘(bos)rand; steile helling; struik (van een heg); tak’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal