Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rein - (zuiver)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rein bn. ‘zindelijk; eerbaar’
Onl. rēni ‘schoon, zuiver’ in de plaatsnamen Hrenheri ‘Rhienderen (Gelderland)’ [797, kopie begin 10e eeuw; Künzel] en Hreni ‘Rhenen (Utrecht)’ [855, kopie 10e eeuw; Künzel], reyne in scona bistu an reynan gethankon ‘mooi ben je in zuivere gedachten’ [ca. 1100; Will.]; mnl. rene, reine, reyn ‘zuiver van levenswandel, eerbaar, kuis’ in si wisten heme so reine ‘zij wisten hoe eerbaar hij was’ [1200; VMNW], ‘zindelijk, schoon, onbezoedeld’ in so blíuet din lif sunt ende reine ‘dan blijft je lichaam gezond en schoon’ [1253; VMNW], ‘uitgelezen, fijn’ in hemelsche spise ... rene ‘uitgelezen hemelse spijs’ [1285; VMNW], ‘zuiver’ in van goude rene ‘van zuiver goud’ [1287; VMNW]; vnnl. reyn, reen ‘zuiver, zindelijk, eerbaar’ [1599; Kil.].
Os. hrēni (mnd. rein); ohd. hreini, reini (nhd. rein); ofri. rēne (nfri. rein); on. hreinn (nzw. ren); got. hrains; alle ‘zuiver, schoon’, os./ohd. en nhd. dial. ook ‘fijn (van meel)’, < pgm. *hraini-, oorspr. ‘gezuiverd, gezeefd’. Hierbij ablautend ook pgm. *hrī-dra- ‘zeef’, waaruit: os. hrīdra; ohd. rītera (nhd. dial. Reiter); oe. hrīder, hridder, hriddel (ne. riddle ‘grove zeef’).
Verwant met: Latijn cernere ‘scheiden, zeven; onderscheiden’ (zie → decreet), certus ‘zeker’, crībrum ‘zeef’; Grieks krī́nein ‘scheiden, onderscheiden’ (zie → crisis); Litouws krìjas ‘zeef’, Lets krìet ‘room afschrapen’; Proto-Slavisch *krojiti ‘snijden’ (Russisch kroít' ‘(kleding) snijden’); Oudiers crīathar ‘zeef’, Oudwelsh cruitr ‘zeef’, go-gryn- ‘zeven’; < pie. *krei-, *kri-, *kroi- ‘zeven, scheiden’ (LIV 366-367). De Latijnse en Germaanse woorden voor ‘zeef’ gaan terug op *kri-dhro-.
De oorspr. betekenis van rein is dus eigenlijk ‘gezeefd’, d.w.z. ‘gezuiverd van onregelmatigheden’.
reinigen ww. ‘schoonmaken’. Onl. met voorvoegsel girēnen ‘reinigen’ in fan beholenen minin gereini mi ‘reinig mij van mijn verborgen (zonden)’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. reinigen, reynigen ‘zuiveren, ontdoen van slechte zaken’ in als nu die sile gereineget es ende sonden verdreuen sin ‘als nu de ziel is gezuiverd en de zonden zijn verdreven’ [1290-1310; MNW-P], ‘schoonmaken’ in dat si reinighen souden thuis Gods [1477; MNW-P]; vnnl. reynigen ‘zuiveren, ontdoen van vuil of schadelijke zaken’ [1599; Kil.]; nnl. ook in de vaste verbinding chemisch reinigen ‘schoonmaken met chemicaliën’ [1941; WNT]. Afleiding van rein met het achtervoegsel → -igen. Eerder bestond al de afleiding reinen ‘zuiveren’ [1240; Bern.], die tot aan het eind van de 19e eeuw heeft bestaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rein1* [zuiver] {in de plaatsnaam Hrenheri, nu Rienderen (Gld.) <797>, rein(e), rene, reen [fijn (gemalen), fijn (uitgelezen), zuiver] 1200} oudsaksisch hreni, oudhoogduits (h)reini, oudfries rene, oudnoors hreinn, gotisch hrains; buiten het germ. latijn cernere [zeven, onderscheiden], grieks krinein [scheiden, schiften, onderscheiden], oudiers críathar [zeef], welsh crwydr [idem], gogrynu [zeven]. De uitdrukking de reinen is alles rein is ontleend aan de eerste brief van Paulus aan Titus, 15.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rein bnw., mnl. reine, rêne, os. hrēni, ohd. hreini, reini (nhd. rein), ofri. rēne, on. hreinn, got. hrains. Het zwits. en rijn-frank. bewaren nog de oude bet. ‘fijn gemalen, gezeefd’. — Germ. *hraini is afgeleid van de idg. wt. *(s)kerei ‘scheiden, ziften’, vgl. lat. cerno (< *crino) ‘scheiden, zeven’, gr. krínō ‘scheiden, beslissen’, verder lat. cribrum, oiers criathar ‘zeef’, vgl. ohd. rītera (nhd. reiter) ‘grote zeef’, oe. hridder, hriddel ‘zeef’ (IEW 946) — Zie ook: rijten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] rein. De idg. basis was qri- blijkens oppersorb. křida, nedersorb. ksˊida “zeef”. Verder hierbij lett. krët en kreims (zie rijm I)?

rein bnw., mnl. reine, rêne. = ohd. (h)reini (nhd. rein), os. hrêni, ofri. rêne, on. hreinn, got. hrains “rein”, eig., zooals nog rijnfrank. zwits.: “fijn gemalen, gezeefd”; vgl. ook os. hrên-kurni o. “triticum”. Germ. *χraini- van de basis ḱri- of qri-, waarvan ook kymr. gwa-gr, go-gr “zeef”, go-grynu “zeven”, lat. cerno (*crino) “ik scheid, zeef, onderscheid, erken”, gr. krínō “ik scheid, onderscheid, oordeel” en ags. hrîdder, hrîddel o. (eng. riddle), ohd. rîtera v. (nhd. reiter), ier. criathar, lat. crîbrum “zeef, gr. krēséra (η < êi; vgl. ’t lat. perfectum crêvi) “fijne zeef”. Oi. çréṇidan (Ṛgveda 10, 20, 3) is als “met reine tanden” hierbij gebracht, de bet. is echter veeleer “wiens tanden een rij vormen” en dan is ’t niet verwant. Zie rijm I. Van rein zijn twee ww. gevormd: 1. got. hrainjan, ohd. (h)reinen “reinigen”, 2. ohd. (h)reinôn, os. hrênon “id.”. Mnl. reinen, rênen “id.” kan op beide teruggaan; ’t vocalisme staat onder invloed van rein. Hiervoor nnl. reinigen, een reeds mnl. mhd. mnd. ww. (vgl. eindigen).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rein. Oppersorb. křida ‘zeef’ wijst op idg. q. Zie nog rijm I. v.Wijk Aanv.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rein bijv., Mnl. rene, Os. hrêni + Ohd. reini (Mhd. reine, Nhd. rein), Ofri. réne, On. hreinn (Zw. en De. ren), Go. hrains, van wrt. hrī = ziften + Gr. krínein, Lat. cernere = scheiden, cribrum, Oier. criathar = zeef: Idg. wrt. krei̯. Uit On. intensief hreinsa (= reinigen) komt Fr. rincer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

rein 1, zn.: nageboorte bij een koe. Zelfstandig gebruik van het bn. rein ‘zuiver, schoon’. Vgl. Vlaams schoon, schone, schoonsel ‘nageboorte van een rund’. De betekenis is ‘van onzuiverheid, van de ingewanden ontdaan’. Vgl. ook Vl. schonemaken ‘goedaardige afscheiding geven na het kalven’ (Debrabandere 2005). Vgl. het antoniem voel, vuil.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

reen (W), bw.: helemaal. M.n. reen af, op, uit, weg 'helemaal af, op, uit, weg'. Mnl. alreine, alrene 'geheel en al', Vnnl. reyn-uut 'helemaal leeg, op' (Kiliaan). Afgeleide bet. van Ndl. rein 'zuiver'. Mnl. rein(e), rene, reen, Ofri. rêne, Os. hrêni, Ndd. rên, Ohd. (h)reini, On. hreinn, De., Zw. ren, Got. hrains. Vgl. D. das ist reiner Wahnsinn 'dat is helemaal waanzinnig, volledige waanzin'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rein: skoon, suiwer; (fig.) onskuldig; Ndl. rein (Mnl. reine/rēne), Hd. rein, hou verb. m. Lat. cernere, “beslis; skei”, en Gr. krinein, “beslis; sif, skei”, alg. ouer bet. “sif, skei”; verder verb. m. krisis, kritiek, kritikus, kritiseer.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

reinste (je --) (Duits der reinste)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

rein

In het Nederlands wordt rein soms in verschillende betekenissen gebruikt, die eigen zijn aan het Duitse ‘rein’, dat een groter betekenisveld heeft:

a. Rein als bijwoord, in de zin van ‘zuiver, louter, uitsluitend’: ‘de rein orchestrale gedeelten van een dramatisch werk...’.

De puristen beschouwen dit gebruik als een germanisme. Het is echter niet zeer gebruikelijk. Trouwens, geen enkel woordenboek heeft deze betekenis van rein opgenomen.

b. Rein als muziekterm (adjectief en bijwoord) in de zin van ‘zuiver’: ‘reine tonen, intervallen’.

Tot in de jaren ’30 werd er geen bezwaar gemaakt tegen deze betekenis van rein. Volgens het WNT was ze reeds in de 18e eeuw bekend. Vanaf 1940 wordt ze echter meestal als een germanisme gebrandmerkt. Verschueren is het enige algemene verklarende woordenboek dat ze ook nu nog als goed Nederlands aanvaardt.

Men vindt deze betekenis van rein ook nog als technische term in muziekwoordenboeken (bijv. Elsevier’s Dictionary of Cinema, Sound and Music, Amsterdam, 1956) maar in de algemene taal is ze ongewoon.

c. Je (de) reinste, in de zin van ‘louter’:

‘Het is je reinste verlakkerij voor deze feiten enkele betrokken para’s te beschuldigen.’ (De Nieuwe, 3.11.72, p. 8)

De meeste puristen beschouwen deze uitdrukking als een germanisme (D. ‘(der) reinste...’). Sinds de jaren ’40 is Koenen het daarmee eens. Van Dale, Jansonius en Weijnen aanvaarden je reinste echter als correct Nederlands. Andere woordenboeken (Kramers en Verschueren) hebben ze niet opgenomen. Ze wordt dus nog niet algemeen aanvaard.

Nochtans wordt je reinste zo vaak gebruikt (overigens vaker dan de reinste, de enige vorm waarvoor het Duits een parallelvorm heeft), dat men het gerust als ingeburgerd mag beschouwen.

d. In ’t reine komen, geraken, zijn:

Ook deze uitdrukking wordt soms als een germanisme (D. ‘ins reine kommen’) beschouwd voor ‘tot een oplossing of een accoord komen resp. gekomen zijn (met)’.

Ze wordt voor het eerst in de jaren ’30 gesignaleerd. Van Dale en Jansonius aanvaarden ze reeds als correct Nederlands. In de andere woordenboeken vindt men ze nog niet.

Iets in het reine brengen (dat volgens het WNT eveneens aan Duitse invloed te wijten is) wordt daarentegen algemeen aanvaard.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rein, van den Germ. wt. hri = zeven, ziften, met een zeef zuiveren; vandaar: gezuiverd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rein ‘zuiver’ -> Negerhollands rein ‘zuiver’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rein* zuiver 0797 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1172. Klein maar rein,

d.w.z. klein maar fijn, keurig; vgl. Harreb. I, 413: wel klein, maar rein of niet hoe klein, maar hoe rein (Cats I, 463). Bij Van Dale staat ook opgegeven klein en rein, in den zin van netjes, proper. Hier heeft klein nog de oude beteekenis bewaard, die het in de middeleeuwen ook had, nl. die van fijn, sierlijk (vgl. eng. clean; het ndl. kleinood; hd. Kleinod; Kleinschmied), zoodat beide adjectieven thans ten onrechte eene tegenstelling vormen, zooals blijkt uit de verbinding klein en rein, die voorkomt in Spieghel's Byspr. Alm. op 18 Aprilis; zie Suringar, Erasmus, LXXXIV; De Brune, 123: reyn en kleyn. Ook in het hd. klein, aber rein; nd. klein und rein; klân on rân (Eckart, 269).

1923. Den reinen is alles rein,

d.i. ‘er zijn geen dingen onrein in zichzelven; zij worden het eerst voor hem, die bij het gebruik zondige gedachten koestert, die ze tot verkeerde doeleinden aanwendt: niet aan de voorwerpen kleeft de zonde, maar van de gezindheid, waarmede men iets doet, hangt alles af’. De uitdr. is ontleend aan Tit. I, 15: ‘alle dingen zijn wel reyn den reynen’, welke bijbelplaats wel eens te onrechte gebezigd wordt, om de deelneming aan hetgeen onheilig en onrein is, te verontschuldigen. Zie Rom. XIV, 14; Zeeman, 422; Laurillard, 98; Villiers, 104; fr. tout est pur à ceux qui sont purs; hd. dem Reinen ist alles rein; eng. unto the pure all things are pure.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal