Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reilen - (zijn gang gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

reilen ww. ‘zijn gang gaan’
Vnnl. Een schip soe alst ryedt ende seylt ‘een schip zoals het (voor anker) rijdt en zoals het (op zee) zeilt’, overdrachtelijk ‘een schip met al zijn toebehoren’ [ca. 1565; WNT rijden I], zoals het reilt en zeilt ‘in de werkelijke toestand van dat moment’ in Hy telden hem voor dit beest, zo als 't reilde en zeilde, tien rijksdaalders aan geld [1698; WNT]; nnl. de zaak, zo als zy reilt en zeilt ‘de zaak zoals die er nu voorstaat’ [1789; WNT], laten reilen en zeilen ‘op zijn beloop laten’ in Hij ... liet zijn uitgestrekte rijk maar reilen en zeilen [1802; WNT], reilen en zeilen ‘zijn gang gaan, gebeuren’ in alles wat in deze buurt reilt en zeilt [1914; WNT].
Reilen in de uitdrukking reilen en zeilen is door volksetymologische rijmdwang ontstaan uit ouder → rijden in de betekenis ‘op en neer bewegen van een schip voor anker’ (zie ook → rijtuig). Zoals het rijdt en zeilt betekende ‘onder alle omstandigheden’; bij overdracht kon het ook gezegd worden van andere dingen dan schepen, van levende wezens, enz. Mogelijk heeft deze uitbreiding van context heeft ertoe bijgedragen dat rijden van vorm kon veranderen. De uitdrukking is daarna ook enigszins van betekenis veranderd: reilen en zeilen betreft niet meer zozeer de toestand waarin iets verkeert, als wel de gebeurtenissen die plaatsvinden.
Lit.: Philippa 2000b, 218

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reilen* [varen] {1698} uit rijden (van een schip), aangepast aan zeilen in rijmpositie vandaar: zoals het reilt en zeilt.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

reilt

Het werkwoord reilen bestaat niet. De vorm: reilt komt alleen voor in de uitdrukking: zoals het reilt en zeilt, dat wil zeggen: zoals iets zich vertoont in zijn verschillende toestanden, met zijn deugden en gebreken. Eigenlijk zegt men het van een schip en oorspronkelijk was de zegswijze: zoals het schip voor anker ligt te rijden en zoals het zeilt. Later begreep men het werkwoord rijden in dit verband niet meer en toen openbaarde zich de neiging er een rijmende uitdrukking van te maken. Dat die behoefte sterk is, blijkt uit tientallen spreekwoorden: borgen baart zorgen, gissen doet missen, wie goed doet goed ontmoet, oud mal gaat bovenal, elk huis heeft zijn kruis, boontje komt om zijn loontje, oost west thuis best, zo gewonnen zo geronnen, heden groot morgen dood en vele andere, waarin een schat van volkswijsheid is verborgen. Zo is ook de vorm reilt ontstaan uit rijmzucht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reilen ww. in de uitdr. reilen en zeilen is door de behoefte aan rijmwoordvorming ontstaan uit rijden en zeilen (sedert ± 1600), waarin rijden bet. ‘voor anker liggen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reilen en zeilen. Rijmende woordverbinding, in de plaats gekomen voor ouder (sedert ± 1600) rijden (ten anker liggen) en zeilen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reilen ono.w., in zooals het reilt en zeilt, opgemaakt om te rijmen uit rijden en zeilen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reilen ‘varen’ -> Fries reile ‘varen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

reilen* varen 1698 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1922. Zooals het reilt en zeilt.

Eig. gezegd van een schip, zooals het ten anker ligt en in volle zee zeilt; dus: zooals het daar is (met al zijn toebehooren); overdrachtelijk wordt dit ook gezegd van andere zaken en personen, in den zin van: zooals ze daar zijn; fri. in skip sa 't it seilt en reilt; it hiele spil, sa 't rydt en fart; Joos, 53: gelijk het reist en zeilt. De oorspronkelijke vorm dezer uitdrukking luidt: zooals het rijdt en zeiltZie deze verklaring ook bij Van Eijk I, Nal. 48; Harreb. II, 344.. Onder rijden verstaat men ten anker liggen (vooral in een storm), door de golven op en neder geslingerd wordenNdl Wdb. XIII, 203., terwijl men ten anker ligt.; eng. to ride at anchor (reeds in 't Ags.). Zie R. Visscher, Brabbeling (ed. 1669), bl. 86:

 Om duysent gulden soo het rijt en zeylt
 Is 't schip dat Joris gekocht heeft geveylt.

In de 17de en ook nog in de 18de eeuw was dit de gewone vorm (Noord en Zuid XVII, 35-38; Ndl. Wdb. XIII, 204In Navorscher LXI, 181 wordt vermeld uit de I7de eeuw: een speeljacht zooals 't drijft en zeilt.; vgl. o.a. nog Van Effen, Spect. II, 78: Vraagje my, wat ik in de waereld gedaan heb? wel die heb ik laaten ryden en zeilen, zo als hy het zelf goedvind. De tegenwoordige vorm ‘reilt en zeilt’ komt echter in het laatste gedeelte der 17de eeuw ook reeds voor in de K.U.E. II, 240: Eindelijk wierd hy met bieden en looven de koop met mijn vader eens, en hy telden hem voor dit beest, zo als 't reilde en zeilde, tien rijksdaalders aan geld; vgl. verder V. Janus, 372: Zoo als het daar rijlt en zijlt; B.B. 183: Hij trekt zich van het schip, hoe het reilt of zeilt, al heel weinig aan; Handelsblad, 7 April 1914, p. 5 k. 1 (avondbl.): Een markt is het stellig niet, al kan men hier echter wel constateeren, dat alles wat in deze buurt reilt en zeilt tot het aardappelvak in verband staat; 9 Sept. 1914, p. 2 k. 6 (ochtendbl.): Men haalde levensmiddelen van boord, liet de zaak maar over den kant van het schip vallen, bekommerde er zich niet om of het heel was oftewel kapot en liet alles maar reilen en zeilen; Gids, Maart 1915 bl. 568: De struische kerel zooals hij reilt en zeilt, met al zijn ruwheid en al zijn teerheid; H. Post, 18 Dec. 1920, p. 1 k. 3: Zoowel Bismarck als Wilhelm worden in dit boek voorgesteld ongeveer in Adams costuum, precies zooals ze reilen en zeilen. - Oorzaak van deze verandering is de zucht om te rijmen. Vgl. voor dit verschijnsel mnl. etten noch tretten (voor tredden, betreden); praatjes vullen geen gaatjes (vroeger zakken); iemand kennen van haver tot klaver (vroeger gort); het Zuidnederl. eeuwig en ervig (zie no. 531); groote berommers (beroemers) zijn ijdele bommersNdl. Wdb. III, 337.; die wel doet, wel ontmoetVgl. C. Wildsch. VI, 13: die wèl doet, wèl vind, dat ook in de middeleeuwen bekend was; zie Hild. 154, vs. 151 en vgl. wye den anderen reden doet, reden dat hem gairne moet (Mloop IV, 481); in Prov. Comm. 308: Die wel doet die baet es sijn.; die quaet doet, quaet ontmoet (Brederoo I, 278); van hot noch tot weten (zie no. 966); het gron. brijven en brullen (= bullen), oude documenten, koopacten, enz. (Molema, 60 a); kanten en ranten (randen; Molema, 190 b); die 't eerst komt, 't eerst pompt (Nieuwe Taalgids VI, 182; XIII, 136); het Zuidndl. hulten en bulten (of knulten); het 17de-eeuwsche: een groot hart, en een kleine start (= staartWinschooten, 284; Harreb. I, 287 b.); hd. wei deits, zo geits (gelijk gij het deedt, zoo gaat het u; zie Sinnepoppen, 140); wie thon also lohn (Wander IV, 1183); later lat. uti vixit, ita morixit (Tuinman I, 265Vgl. hd. er hat morexit gemacht, hij is gestorven (Schrader, 500).); tu ibi eris, ubi non peris (Archiv I, 377); aut capita aut navia (kruis of munt); enz.Zie over dit verschijnsel W. Wundt, Völkerpsychologie I, 424 vlgg.; Nyrop-Vogt, das Leben der Wörter, 186; O. Weise, Aesthetik der deutschen Sprache, 263.. In Zuid-Nederland gebruikt men in denzelfden zin: gelijk het waait (of haait) en draait (Rutten, 270 b; Antw. Idiot. 1411); vgl. ook ‘zooals hij daar gaat en staat’ (hd. wie es geht und steht); eene zaak zooals zij rekt en strekt (Joos, 50).

Naast ‘zooals het reilt en zeilt’ leest men ‘zooals het treilt en zeilt’; vgl. Harreb. III, 68; Handelsblad, 21 Juli 1913 p. 7 k. 4 (avondbl.): De tentoonstelling der Vrouw, zooals zij daar treilt en zeilt, is het werk der Vrouw; Het Volk, 11 Maart 1914 p. 1 k. 2: Wij wensten wel dat zij in streng incognito gedurende enige tijd het schoolleven, zoals het treilt en zeilt, konden medemaken. Deze vorm der zegswijze is ontstaan onder invloed van de 17de-eeuwsche uitdr. met seil en treil (treklijn; ofr. trailleWinschooten, 318: Treil noemen de seelui een lijn, daar men een schuit mee' voort trekt: en hier van het seggen: Ik verkoop uuw de schuit met seil en treil, dat is, soo als sij rijd, en seild: het een met het ander; Brederoo, Griana, 1512. en het wkw. treilen, een schip voorttrekken (Kil.; in het Mnl. is het intr.Vgl. Mnl. Wdb. VIII, 662: Wilden zee (zij) treelen in Zeelant of elre met haren scepen.; ofr. trailler; eng. to trail); vgl. nd. treideln (Kluge, Seemansspr. 793). Nog in het oostfri. 't ganse schip mit seil un treilTen Doornk. Koolm. III, 432.; fri. in skip mei seil en treil.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut