Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

regeren - (besturen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

regeren ww. ‘besturen’
Mnl. regieren, regeren ‘besturen, het bewind voeren over, onder zijn hoede hebben’ in elc prinse die sal ... sijn rike regeren ende sine liede ‘iedere vorst dient het bewind te voeren over zijn rijk en over zijn onderdanen’ [1315-35; MNW-R], haer ontfaermere salse regieren ‘hun ontfermer zal ze onder zijn hoede nemen’ [1348; MNW-P], ‘richten, sturen, de weg wijzen, leiden’ in die hem selven wijs sijn, die laten hem selden ... regieren van ander menschen ‘zij die zelf wijs zijn, laten zich zelden door andere mensen sturen’ [1430-50; MNW-P]; vnnl. regeren ‘besturen, beheren, in bedwang houden’ [1599; Kil.].
In de meest gewone Middelnederlandse vorm regieren ontleend aan (thans in deze betekenis verouderd) Frans régir ‘leiden, besturen’ [1234; TLF], dat zelf een geleerde ontlening is aan Latijn regere ‘richten, leiden, sturen, afbakenen’, verwant met → recht 1. Zie ook → regel, → regime, → regiment. De aanvankelijk minder frequente vorm regeren is rechtstreeks ontleend aan Latijn regere.
Voor de Statenvertaling van de Bijbel werd de vorm regeren gekozen; in de tweede helft van de 17e eeuw is regieren daarna verdwenen (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

regeren [besturen] {1357} middelnederduits, middelhoogduits, oudfries regeren < latijn regere [richten, leiden, sturen, regeren, beheersen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

regéren ww. ook mnl. mnd. mhd. ofri. < lat. regere of < fra. régir.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

regeeren ww., reeds mnl. mhd. mnd. Uit lat. regere of fr. régir.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rege[e]ren. Ook ofri. — In het Mnl. is hiernaast nog zeer gebruikelijk regnêren (ook mnd. mhd.) uit fr. régner of lat. regnâre.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

regeeren o.w., met Rom. suffix, uit Lat. regere = regelen, heerschen (z. rekken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

regeer ww.
1. Staatsgesag uitoefen, heers. 2. Gesag uitoefen oor. 3. Beheer. 4. Bedwing. 5. (taalkunde) Gevolg word deur, vereis.
Uit Ndl. regeren (Mnl. regeren, regieren in bet. 1 - 4, 1829 in bet. 5). Die vorm regieren was die mees alg. vorm. In die Statevertaling is egter vir regeren gekies en regieren is vir die laaste keer in 1659 gebruik.
Mnl. regeren, regieren uit Latyn regere 'rig, lei, stuur, regeer, beheers'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

rege’ren (regeerde, heeft geregeerd), (ook:) 1. (onoverg.), tekeergaan, zich luidruchtig uitleven. Ouma* zou tekeergaan straks bij het middag-eten, zijn brood had hij vanmorgen ook al laten staan. Ze zou regeren en Jezuschristusgoddezoon aanroepen om hem van de duivel te bevrijden die zich van hem had meester gemaakt (Vianen 1972: 123). - 2. (onoverg.), luidruchtig stoeien. En toen hadden de kinderen gezongen en gespeeld op het erf*, ze hadden niet makkelijk geregeerd. En nou waren ze weer in hun klas en kregen hun lekkers en hun stroop* (Schungel 100). - 3. (overg.), tiranniseren. Negers* regeren je onderwerk* wanneer ze je vinden. Maar deze, die ik nu heb, is de beschaving zelve, ook al heb ik ’em nie verdiend zonder me opvoeding die ik nie gehad heb! (Cairo 1978b: 169). - Etym.: S rigeri = id. Wellicht van AN ’regeren als een Turk’ = bet. 3.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

regeer: beheer, bestuur; d. bewind voer; Ndl. rege(e)ren (Mnl. regeren/regieren), mntl. via Ofr. reger/regir (Fr. régir) uit Lat. regere, “reg doen; beheer, bestuur”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

regeren (Latijn regere)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Recht (bijv.nw.) is als deelw. gevormd van den Idg. wt. reg = sturen, richten; vgl. ’t Lat. regere, ons: regeeren; verder: zich in een rechte lijn uitstrekken, evenals ons rekken (z. d. w.). In de bet. van rekken wil recht dus zeggen: niet afwijkend van de gestrekte richting, dus: niet krom. Zoo verkreeg recht ook de bet. van: in de goede richting gaande, juist, behoorlijk, billijk. Hiervan komt het z.nw. recht: wat goed, billijk is.
Uit de bet. van sturen, richten, leiden (zie boven) komt rechten of richten, waarvan rechter en richter = de bestuurder, de leider van een rechtszitting; de schepenen daarentegen moesten het oordeel, de straf bepalen. Mogelijk is rechten, richten ook uit recht (z.n.w.) ontstaan: recht spreken, recht uitoefenen. – Bij dit rechten, richten behoort ook: gerecht, gericht = 1°. de rechtsspraak, de rechtsoefening, en 2°. de gezamenlijke rechters: gericht houden over iets; bij het gerecht aanklagen; voor het gerecht (de rechters) verschijnen.
In rechtvaardig heeft varen de algemeene bet. van gaan; rechtvaardig is dus: wat recht gaat, evenals hoovaardig: wat hoog gaat (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

regeren ‘besturen’ -> Ambons-Maleis regèr ‘iemand dwingen onafgebroken bezig te zijn’; Menadonees regèr ‘iemand dwingen onafgebroken bezig te zijn’; Negerhollands regeer ‘besturen’; Sranantongo rigiri, ligeri ‘besturen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

regeren besturen 1322 [Moors 271, 44] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

871. Strenge heeren regeeren niet lang,

d.w.z. wanneer men al te streng is, verliest men spoedig zijn gezag; een al te streng bestuur duurt niet lang; dikwijls van een strengen winter gezegd. Vgl. Campen, 1: strenghe heeren richten niet langhe; Spieghel, 288; De Brune, 305; Smetius, 154: strenge Heeren zijn van Cort-rijck; Tuinman, I, 369 en Harreb. I, 296 a. Ook in het fri.: strange hearen regearje net lang. Zie verder Joos, 188; Antw. Idiot. 1203; Waasch Idiot. 635 a; Jongeneel, 90; Wander II, 548; 564 en Seneca, Troades vs. 258: violenta nemo imperia continuit diu; hd. (ge)strenge Herren regieren nicht lange; Tyrannengewalt wird nie alt; eng. severe rulers have short reigns.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut