Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

regen - (hemelwater)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

regen zn. ‘hemelwater’
Onl. regan ‘regen’ in Nithestigon sal also regan ‘(hij) zal neerdalen als de regen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. reghen ‘regen, regenbui’ [1240; Bern.], Wint. ende haghel. ende reghen [1285; VMNW], ook de vorm rein in vp die riuiere. Die was met reine ghewassen sciere ‘over de rivier, die door de regen snel was gestegen’ [1285; VMNW].
Os. regan (mnd. regen); ohd. regan (nhd. Regen); ofri. rein (nfri. rein); oe. regn (ne. rain); on. regn (nzw. regn); got. rign, Krimgotisch reghen; alle ‘regen’, < pgm. *regna-, *regnō- (mv.). Hierbij ook de werkwoordsafleidingen: mnl. regenen; ohd. reganōn (nhd. regnen); oe. rignan, rinan (ne. rain); on. rigna, regna (nzw. regna); got. rignjan.
Verdere herkomst onbekend. Litouws rõkti ‘regenen’ en rūkas ‘mist’ kunnen leenwoorden uit het Nederduits zijn; er is dus geen reden om een wortel pie. *rek(w)- (IEW 857) aan te nemen. Pgm. *regna- zou uit deze wortel bovendien niet goed te verklaren zijn, aangezien pie. *rek-nó- geen grammatische wisseling ondergaat, maar volgens de wet van Kluge zou leiden tot pgm. *rekka-. Men moet dus uitgaan van pie. *(H)régh-no-. Herleiding tot de wortel pie. *h1er- ‘stromen’ (Bjorvand/Lindeman), met pgm. *reh- < pie. *h1r-eḱ-, is gekunsteld en daarom zeer onwrsch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

regen* [neerslag] {oudnederlands regan 901-1000, middelnederlands regen, rein} oudsaksisch, oudhoogduits regan, oudfries rein, oudengels, oudnoors regn, gotisch rign; buiten het germ. latijn rigare [besproeien], litouws rokė [motregen], albaans rrjeth [vloeien].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

regen znw. m., mnl. rēghen, rein, reen m., os. regan, ohd. regan (nhd. regen), ofri. rein, oe. regn (ne. rain) m., on. regn o. got. rign o. — Men verbindt dit woord met lit. rõkia, rõkti ‘regenen’ en neemt een idg. wt. *rek̂ aan, die staat naast *reĝ, waarvan men afleidt on. raki ‘vochtigheid’, lat. rigāre ‘bewateren’, alb. rrjeth ‘stromen, druppelen’ (IEW 857).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

regen znw., mnl. rēghen (rein, reen) m. = ohd. rëgan (nhd. regen), os. rëgan, ofri. rein, ags. rëgn (rên; eng. rain) m., on. rëgn, got. rign o. “regen”. Of verwant met lat. rigo “ik bevochtig”, alb. r̄jeϑ “ik vloei”, die echter ook idg. kunnen hebben evenals ijsl. rakr “vochtig”, óf met lit. rõkia, rõkti “in den vorm van een ergen nevel regenen”, ’t Is echter onzeker of idg. qn in ’t Germ. behalve χn en kk ook ʒn kan opleveren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

regen. Tegen de combinatie met lit. rõkia, rõkti ‘in de vorm van een erge nevel regenen’ is de alsdan aan te nemen germ. ʒn < idg. qn volstrekt geen bezwaar (vgl. nog bakken Suppl. 1e alin.). — In ieder geval is een van de hier vermelde etymologieën verkieslijk boven het vermoeden van Holthausen GRM. 8, 368, dat gr. rókhthos ‘gebruis, geraas’ met regen (ospr.: ‘het geraas van de neerstortende bui’) verwant zou zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

regen m., Mnl. id., Os. regan + Ohd. id. (Mhd. regen, Nhd. id.), Ags. regn (Eng. rain), Ofri. rein, On. regn (Zw. en De. id.), Go. rign + Lat. rigare = bewateren, Alb. ̅rjeθ = vloeien: Idg. wrt. righ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rege (zn.) regen; Aajdnederlands regan <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1reën s.nw.
1. Gekondenseerde waterdamp wat in druppels uit die lug val. 2. Iets wat in groot hoeveelhede soos reën (1reËn 1) val.
Uit Ndl. regen (al Mnl. in bet. 1, 1525 in bet. 2).

reent s.nw., ww.
1. Reën (1reËn 1, 2reën 1). 2. Reën (1reën 2, 2reën 2).
Uit Ndl. regent. 'n t-uitgang aan die stam van 'n ww. dui in Ndl. aan dat die onderwerp 3de persoon, ekv. is. Aangesien regen altyd deur 3de persoon, ekv. voorafgegaan word, hoofsaaklik het 'dit', het die t later sy vervoegingsfunksie verloor en is aangevoel as behorende by die stam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

regen ‘neerslag’ -> Negerhollands regen, regn, rign, regon ‘neerslag’; Skepi-Nederlands regen ‘neerslag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

regen* neerslag 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1919. Na regen komt zonneschijn,

d.w.z. na lijden komt verblijden (De Brune, 371; Ndl. Wdb. VIII, 2215); voorspoed volgt op tegenspoed; nader vasten comt paeschen; middeleeuwsch latijn: post nubila Phoebus. Zie Sp. Hist. IV3, 45, 36: Na scone weder coemt dat sure ende na dat lelike coemt scone; Servilius, 101: Na regen coemt sonnen schyn; Campen, 105: Na een reghen comt gemeenlick een sonne schijn; Spieghel, 296; Idinau, 69:

 Naer reghen, sietmen schoon weder volghen,
 So volghter blijschap, naer droefheden.

Vgl. verder De Brune, 221; V.d. Venne, 186: Na Regen komt schoon weer; Adagia, 49: Naer 't onweder volght schoon weder, post nubila Phaebus; bl. 50: Naer regen komt schoon weder, sequitur post triste serenum; Bebel, no. 358; Taalgids V, 157; Eckart, 427; Büchmann, 415; Wander III, 1578; Harreb. III, 321; Afrik. na suur kom soet; fr. après la pluie, le beau temps; hd. auf Regen folgt Sonnenschein; eng. after a storm (comes) a calm; after rain comes sunshine; fri. nei rein komt sinneskyn.

1920. Van den regen in den drup

d.w.z. van een onaangenamen toestand in nog erger geraken; van den wal in de sloot; vgl. Sewel, 725: Van den regen in de sloot; hd. aus dem Regen in (oder unter) die Traufe kommen; fri. fen 'e rein yn 'e drip komme; vgl. verder mlat. incidit in Scyllam cupiens vitare Charybdim (van de Scylla in de CharybdisOntleend aan Alexandreis van Gualtherus ab Insulis, 5, 301: de regel is eene navolging van een grieksch spreekwoord bij Apostolius, 16, 49 (Büchmann, 415).); de calcaria in carbonariam pervenire; gri. φευγων καπνονεις πυρ εμπιπτει; tendere de fumo ad flammam (Sart. I, V, 64: uyt de roock in 't vier loopen); fr. tomber de la poêle dans la braise; tomber de fièvre en chaud mal; eng. to fall out of the frying pan into the fire (Tuinman I, 298: uit de pan in 't vuur springen). In Groningen: van de Eems in de Dollert komen (Molema, 82 b); Rutten, 198 b: van een scheele op een blinde vallen; Joos, 115: van 't vagevuur in de hel loopen; van den kant in den gracht vallen; ndd. van der Matten up 't Stro kamen; van der Platten in der Matten kamen; zie Wander III, 1582; Taalgids V, 175-176; Volkskunde IX, 203-204; Antw. Idiot. 383; Harreb. I, 158; Ndl. Wdb. III, 3465 en no. 589. (Aanv.) Moet hier gedacht worden aan den drup van een goot, die behalve nat ook nog vuil is? komen,

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut