Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reep - (strook)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

reep zn. ‘strook’
Onl. reip, rēp ‘strook land’ [8e eeuw; LS] en in toponiemen, bijv. Replo ‘Reppel (Limburg BE)’ (letterlijk ‘strook bos’) [726, kopie ca. 1222; Gysseling 1960], en in een Latijnse oorkonde quinque reep terre ‘vijf stroken land’ [1116; ONW]; mnl. rep ‘cirkelvormig voorwerp, hoepel?’ [1240; Bern.], meestal reep ‘koord, touw’ in tuee reepe ter clocken ‘twee koorden voor de klokken’ [1284; VMNW], ‘hoepel, houten ring om een vat’ in ii. groten repen ... centum dughen ‘twee grote hoepels, honderd duigen’ [1293; VMNW], ‘lengtemaat voor stoffen’ in van den ... strijpten lakenen metten reepe ‘van het gestreepte laken per reep’ [1349; MNW]; vnnl. reep ‘strook stof’ in Boorden ... Banden ... Reepen ... Linten ... Stricken [1621; WNT], ‘strook, langwerpig stuk’ Het vleesch snyd men ... aan lange reepen [1746; WNT], een reep chocolat [1932; WNT].
Mnd. rēp ‘koord; hoepel; lengtemaat’; ohd. reif ‘koord; hoepel; band om een vat; kring’ (nhd. Reif (vero.) ‘ring’, Reifen ‘hoepel, band’); ofri. -rāp ‘koord’ (nfri. reap); oe. rāp (ne. rope); on. reip ‘koord, touw’ (nzw. rep); got. raips ‘riem’; < pgm. *raipa-. De meest voorkomende betekenis in de Oudgermaanse talen is ‘koord, touw’. Hieruit zijn de andere betekenissen te verklaren als ‘stuk touw als meetinstrument’ > ‘lengtemaat’ > ‘strook land, strook stof’, c.q. ‘stuk touw om duigen van een vat bijeen te binden’ > ‘metalen of houten ring met dezelfde functie, hoepel’.
Herkomst onbekend. Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans. Indien er verband is met de werkwoorden on. reifa ‘wikkelen’ en oe. ā-rāfian ‘loswikkelen’ uit pgm. *raifōn-, moet de -p- in *raipa- teruggaan op ouder *-pp- (door verkorting van het geminaat na lange klinker) uit voor-Germaans (Indo-Europees?) *roip-nó-. Verband met het sterke werkwoord pgm. *reifan- ‘scheuren’ (on. rífa, ofri. rīva) is vanwege het betekenisverschil onzeker.
De meest voorkomende betekenissen in het Middelnederlands zijn net als in de andere Germaanse talen ‘koord, touw’ en ‘hoepel’; die worden ook als enige genoemd in de 16e-eeuwse woordenboeken, o.a. bij Kiliaan. De betekenis ‘hoepel’ bestaat alleen nog in enkele dialecten. De betekenis ‘koord’ is alleen nog herkenbaar in de uitdrukking op de valreep ‘op het laatste moment’, bij valreep ‘touw waarlangs men van het schip afdaalt’. Daarnaast gebruikte men reep bij het meten van langwerpige stukken land en stroken laken e.d. In het Nieuwnederlands leidden deze betekenissen tot toepassing op langwerpige stukjes voedsel, in het bijzonder op tabletten chocolade.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reep* [smalle strook] {in de plaatsnaam Replo, nu Reppel (Belgisch-Limburg) <726>, reep, repe [strook, touw, strik, een lengtemaat] 1251-1275} middelnederduits rēp, oudhoogduits reif, oudfries, oudengels rāp (engels rope), oudnoors reip, gotisch -raip(s); wordt verbonden met iers rebaim [ik scheur stuk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reep 1 znw. m., mnl. reep m. ‘touw, strik, strop, hoep, strook land, landstreek, lengtemaat’, mnd. rēp m. o. ‘touw, hoep, lengte- of vlaktemaat’, ohd. reif m. ‘touw, strik, hoep, band, boei, kring’, ofri. rāp (in samenst.), oe. rāp m. (ne. rope), on. reip o. ‘touw’, got. skauda-raips ‘schoenriem’. — Gaat terug op een idg. *roibo, dat naast *reipo staat in rif 3. — Behoort tot de zelfde groep als reen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reep znw., mnl. reep m. “touw, strik, strop, hoep, strook land, landstreek, een lengte- (zelden vlakte-)maat”. = ohd. reif m. “touw, strik, hoep, band, boei, kring” (nhd. reif), mnd. rȇp m. o. “touw, hoep, een lengte- en vlaktemaat”, ofri. râp m. (in samenst.), ags. râp m. (eng. rope), on. reip o. “touw”, got. raip(s) in skauda-raip(s) (m. o.?) “schoenriem”. Oorsprong onzeker. De combinatie met rif-, riƀ- “wikkelen” (zie reef), waarbij men van idg. *roip-nó- uitgaat, is wegens den vocaaltrap niet wsch.; vgl. eer ier. rêbaim. “ik ruk, scheur stuk”, dat ook ten onrechte uit *reip-nô is afgeleid: van idg. reib-, dat een wortelvariant van (e)reip- (zie reef) kan wezen. Zie repel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reep 2 m. (hoepel), is hetz. als reep 1.

reep 1 m. (strook, touw), Mnl. id. + Ohd. reif (Mhd., Nhd. id.), Ags. ráp (Eng. rope), Ofri. ráp, On. reip (Zw. rep, De. reb), Go. raip: oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

reip (zn.) 1. hoepel 2. reep; Aajdnederlands reep <700-800>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

reep s.nw.
1. Smal strook materiaal. 2. Langwerpige stuk, staaf. 3. Stuk tou.
Uit Ndl. reep (al Mnl.).
D. Reif, Eng. rope, Sweeds rep.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

reep: lang, dunnerige strook/stuk; Ndl. reep (Mnl. reep, “streek; strook, tou”), Hd. reep en reifen, Eng. rope.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reep ‘smalle strook’ -> Duits Reep ‘scheepstouw’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect répe ‘touw waaraan meerdere vishaken vastgemaakt zijn’; Pools rep ‘hijstouw’; Russisch rep ‘hijstouw’; Papiaments repi ‘smalle strook’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

reep* smalle strook 0726 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut