Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reek - (rij, reeks)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reek3*, reke [rij, reeks] {reke 1371} verwant met rak2, rekken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reek 1 znw. v. ‘rij’ (Zuidnl.) zie: rek en reeks.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reek 2 v. (rij), Mnl. reke, van Mnl. reken, Os. rekon = in orde brengen + Ohd. rehhen, Ags. recen, reccan, Ofri. adj. rekon, Go. rikan: z. raak 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

reke 1, reek, rikke zn. v.: rij, reeks; m.n. huizenrij; beurt. Mnl. reke ‘rij, regel’, Vnnl. reke oft rote ‘un renc’ (Lambrecht), reke ‘rij, regel’ (Kiliaan). Ndd. reke. Verwant met rekken, recht, Lat. rectus, regere < Idg. *reg- ‘recht, uitstrekken’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

reke (G, ZO, ZV), reek (ZV), zn. v.: rij, reeks; m.n. huizenrij. Mnl. reke 'rij, regel', Vnnl. reke oft rote 'un renc' (Lambrecht), reke 'rij, regel' (Kiliaan), 1661 de Peerdecautere… te doen beplanten met twee reken van de beste olmen boomen, Gent (LC). Ndd. reke. Verwant met rekken, recht, Lat. rectus, regere < Idg. *reg- 'recht, uitstrekken'. Samenst. tereek, te reke 'achtereen, naeen': 1799 twee primaire vergaderingen te reek, Gent (LC).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

reke rij (Zuid-Nederland, Zeeland). = ndd. reke ‘id.’. ~ rekken en rak. Van een i.e. wortel die ‘recht’ betekent en aanwezig is in recht, lat. regere ‘richten’, oind. ṛjyati ‘zich uitrekken’.
TT XIV 180, NEW 571, WNT XII 1042.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

reke, zn. v.: rij, reeks; regel, lijn. Mnl. reke ‘rij, regel’, Vroegnnl. reke oft rote ‘un renc’ (Lambrecht), reke ‘versus, linea’ (Kiliaan). Ndd. reke. Verwant met rekken, recht, Lat. rectus, regere < Idg. *reg- ‘recht, uitstrekken’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reek ‘(verouderd) rij, reeks’ -> Duits dialect Räke ‘garenmaat van zes of acht stuks, stuk doek van twaalf el’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal