Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reder - (iemand die schepen uitrust en in de vaart brengt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

reder zn. ‘iemand die schepen uitrust en in de vaart brengt’
Mnl. redere ‘bereider van een of andere stof’ [1363; MNW], ‘iemand die schepen uitrust en in de vaart brengt’ in Dat een ijeghelijc schipher sine reijders tot elker reijsen rekenschap ende bewisinenge doen sal ‘dat iedere schipper aan zijn reder van elke reis schriftelijke verantwoording af moet leggen’ [1409; MNW], scippers ende reeders [1468; MNW].
Afleiding met het achtervoegsel -er (zie → -aar) van mnl. reden ‘gereedmaken’.
Bij het werkwoord horen: mnd. reden; ofri. rēda (nfri. riede); oe. rǣdan (me. dial. rede); mhd. (nhd. vero. reiten); on. reiða (nzw. reda); got. raidjan; alle ‘gereedmaken, bereiden’, < pgm. *raidjan-, afleiding van de wortel *raid- ‘gereed’, zie → gereed en → bereiden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reder* [scheepsexploitant] {re(e)der, reider [bereider van een of andere stof, hij die een schip uitrust] 1409} van middelnederlands reden [gereedmaken] (vgl. gereed).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reder znw. m., mnl. rêder ‘persoon die iets bereidt, reder’, mnd. reder m. ‘uitruster, reder’ (> nhd. reeder sedert 1573) is een nomen agentis van reden ‘gereed maken, uitrusten’, mnl. rêden, waarvoor zie: bereiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reeder znw., mnl. rȇder m. “persoon die iets bereidt, reeder”. = mnd. rȇder m. “uitruster, reeder” (nhd. rheder). Nomen agentis bij reeden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reeden, reeder o.w. resp. m., Mnl. reden, reder, bij reed: z. gereed.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reder ‘scheepsexploitant’ -> Deens reder ‘scheepsexploitant’; Noors reder ‘scheepsexploitant’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds redare ‘scheepsexploitant’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests reeder ‘scheepsexploitant’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

reder* scheepsexploitant 1409 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut