Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reddeloos - (niet gered kunnende worden of niet in staat zich te redden; (verouderd) ontredderd)

Etymologische (standaard)werken

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

redden, † reddeloos ww. resp. bnw. Niet bij Kil. Met -loos III van de stam van redden. Het suffix, dat eerst uitsluitend achter znww. werd gevoegd, vormde later, doordat bepaalde znww. het uitzien hadden van werkw. stammen (vgl. hopeloos, werkeloos), ook bnww. uit ww.-stammen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reddeloos ‘niet gered kunnende worden of niet in staat zich te redden; (verouderd) ontredderd’ -> Deens reddesløs ‘als een schip belangrijke onderdelen is kwijtgeraakt, bijvoorbeeld de mast of het roer’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds redlös ‘ontredderd, hulpeloos’ (uit Nederlands of Nederduits).

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal