Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

recorder - (toestel voor vastleggen van audiovisuele informatie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

recorder zn. ‘toestel voor vastleggen van audiovisuele informatie’
Nnl. recorder ‘toestel voor weergave van geluid’ [1897; WNT Aanv.].
Ontleend aan Engels recorder ‘id.’ [1873; OED], afleiding van het werkwoord record ‘geluid vastleggen’ [1892; OED], eerder al ‘vastleggen in geschrift’ [ca. 1300; OED] en ‘van buiten leren’ [ca. 1225; OED], ontleend aan Oudfrans recorder ‘vastleggen’, van Latijn recordārī ‘zich herinneren’, gevormd met → re- ‘terug-’ bij cor (genitief cordis) ‘hart’ (verwant met → hart), de plaats die men in de oudheid als de zetel van het verstand en het geheugen beschouwde.
Aanvankelijk was een recorder alleen een ‘toestel voor het vastleggen en opnieuw weergeven van geluid’. Samenstellingen zijn bijv.: wire-recorder ‘toestel voor het opnemen van geluid op een magnetische draad’ [1949; WNT Aanv.] en de gedeeltelijke leenvertaling draadrecorder [1953; WNT Aanv.]; tape-recorder ‘toestel voor het opnemen van geluid op een magnetische band’ [1952; Soester Courant], vervangen door de gedeeltelijke leenvertaling bandrecorder ‘id.’ [1953; WNT Aanv.]; cassette-recorder [1965; Philips], digitale audio tape recorder, afgekort tot DAT-recorder [beide 1990; Philips] en cd-recorder [1992; Philips].
Bij uitbreiding werd de recorder ook een toestel voor vastleggen en opnieuw weergeven van geluid én beeld. Samenstellingen zijn bijv.: video tape recorder en video recorder [beide 1960; Philips], video camera recorder [1981; Philips], later verkort tot camcorder [1985; Soester Courant], dvd-recorder [1996; Algemeen Dagblad] en harddisk recorder [2003; Trouw].
Een bekend voorbeeld van een recorder buiten de consumentenelektronica is de zogenaamde zwarte doos in vliegtuigen, de flight data recorder ‘apparaat waarop automatisch alle technische gegevens tijdens een vlucht worden geregistreerd’ [1991; Burgers], naast de cockpit voice recorder ‘apparaat waarop alle gesprekken worden geregistreerd die tijdens een vlucht in de cockpit plaatsvinden’ [1990; NRC], nu cockpitvoicerecorder [1993; Trouw].
Lit.: Philips: persberichten en interne correspondentie uit het Philips Bedrijfsarchief, Eindhoven; W. Burgers (1991), De Zwarte Doos: de laatste berichten uit de flight data recorder, Rijswijk

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

recorder [toestel voor weergave van geluiden en beelden] {na 1950; in de betekenis ‘schrijftoestel van een morse-telegraaftoestel’ 1901-1925} < engels recorder, van record (vgl. record).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

recorder (Engels recorder)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

recorder toestel voor weergave van geluid 1897 [Aanv WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut