Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rechtvaardig - (betrouwbaar, in overeenstemming met bepaalde beginselen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rechtvaardig bn. ‘betrouwbaar, in overeenstemming met bepaalde beginselen’
Mnl. rechtvaerdich ‘op de juiste manier levend, handelend volgens de bijbelse wetten’ in Est dat ic mi rechtvaerdich maken wil ‘als ik mij rechtvaardig voor wil doen’ [1340-60; MNW-P], ook in de vormen rechtverdech [1384-95; MNW-P], rechtvardich [1399; MNW-P] en rechtveerdich [1469; MNW-P], ook ‘betrouwbaar’ in rechtvairdich coren ‘deugdelijk koren’ [1450-1500; MNW], rechtvairdighe instrumenten ‘betrouwbare meetinstrumenten’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. ‘in overeenstemming met het recht’ in Rechtveerdighe Iustitie [1548; WNT], rechtveerdige oorlogen [1510; WNT].
Afgeleid met het achtervoegsel → -ig van het bn.recht 1 ‘juist, rechtvaardig’ en → vaart in de Middelnederlandse betekenis ‘handelwijze’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rechtvaardig* [handelend naar billijkheid] {rechtvaerdich, rechtve(e)rdich 1350} middelnederduits rechtverdich, middelhoogduits rehtvertic; eig. betekent het ‘een rechte vaart, gang hebbend’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rechtvaardig bnw., mnl. rechtvaerdich, rechtveerdich, mnd. rechtverdich, mhd. rehtvertic is een samenstelling van recht + vaart + uitgang -ig. — Het ww. rechtvaardigen, mnl. rechtvaerdighen, rechtve(e)rdighen is ws. onder invloed van mhd. rehtvertigen ontstaan, dat echter ook bet. ‘in de juiste toestand brengen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rechtvaardig bnw., mnl. rechtvaerdich, rechtve(e)rdich (gh). — mhd. rëhtvertic, mnd. rëchtverdich “rechtvaardig”, eig. “een rechte vaart, gang hebbend”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rechtvaardig bijv., Mnl. rechtveerdich: gevormd als lichtvaardig, hoovaardig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

regverdig b.nw.
1. In ooreenstemming met reg en billikheid. 2. (t.o.v. sake) In ooreenstemming met die reëls van die gereg of van geregtigheid. 3. In die regte verhouding tot God, deugsaam.
Uit gewestelike Ndl. rechtveerdig (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1532 in bet. 3). In huidige alg. Ndl. is die aa-vorm, soos ook o.a. rechtvaardig, oorheersend as gevolg van 'schoolse invloed' (Kloeke 1950: 103). In vroeë Afr. is die ee-vorm, 'een provinciaal-Hollandse oudheid bewaard' (ibid.).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Rechtvaardige, iemand die handelt naar Gods wetten; rechtschapen mens.
Hoeveel rechtvaardigen wonen er in de stad?, hoeveel mensen zijn (op een bepaalde plaats) er die werkelijk goed zijn?

Het woord rechtvaardig in de betekenis 'handelend in overeenstemming met het recht, eerlijk', hoeft niet specifiek bijbels te zijn. Zeker bijbels is het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord rechtvaardig, of het zelfstandig naamwoord rechtvaardige, voor (de eigenschap van) een mens die zich gedraagt volgens de wet van God. Zie bijvoorbeeld Genesis 6:9, 'Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God' (NBG-vertaling; de NBV heeft 'rechtschapen' in plaats van 'rechtvaardig').
De uitdrukking hoeveel rechtvaardigen wonen er in de stad gaat terug op het verhaal waarin Abraham aan God vraagt om de stad Sodom niet te vernietigen wanneer er een bepaald aantal rechtvaardigen in woont. 'En de HERE zeide: Indien Ik te Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal Ik de gehele plaats vergiffenis schenken om hunnentwil' (Genesis 18:26, NBG-vertaling; de NBV heeft 'onschuldigen' in plaats van 'rechtvaardigen'). Abraham weet met zijn aandringen het getal terug te brengen tot tien, maar de stad voldoet nog steeds niet aan die voorwaarde en wordt, net als Gomorra, vernietigd.

Leuvense bijbel (1548), Genesis 6:9. Dit zijn die generatien van Noe, Noe was een rechtueerdich ende een volmaeckt man in sijn gheslachten, met Gode heeft hy ghewandelt. (Statenvertaling (1637): rechtveerdich oprecht i.p.v. rechtueerdich ende ... volmaeckt.)
Waar zelfs de rechtvaardige zeven maal per dag in zijn onvolkomenheid struikelt, hebben wij prutsers zo'n steuntje in de rug nodig [t.w. de biecht]. (T. Kortooms, Mijn kinderen eten turf, 1967 (1959), p. 106)
Voor de obelisk [gewijd aan protestanten die op de katholieke brandstapel terechtgekomen zijn] is een houten bankje geplaatst voor een andere rechtvaardige, die in eeuwigdurende herinnering zal blijven. (Playboy, 1993, nr. 3)
Statenvertaling (1637), Genesis 18:26. So ick te Sodom binnen de stadt vijftich rechtveerdige sal vinden, so sal ick de gantsche plaetse sparen om harent wille. (Leuvense Bijbel (1548): vijftich rechtueerdighe menschen.)
Laat ons niet vervallen in haat en wraak, dat heeft geen zin. Wij moeten dragen en verdragen, de hand van God treft ons allen. En dan: hoeveel rechtvaardigen wonen er in onze stad, en hoeveel kwaden? (J. Mens, De witte vrouw, 1987 (1952), p. 60)
Niet één rechtvaardige is in dit staatsrechtelijke Sodom opgestaan -- terwijl dat de meerderheid niet in gevaar zou hebben gebracht. (NRC, apr. 1994)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Recht (bijv.nw.) is als deelw. gevormd van den Idg. wt. reg = sturen, richten; vgl. ’t Lat. regere, ons: regeeren; verder: zich in een rechte lijn uitstrekken, evenals ons rekken (z. d. w.). In de bet. van rekken wil recht dus zeggen: niet afwijkend van de gestrekte richting, dus: niet krom. Zoo verkreeg recht ook de bet. van: in de goede richting gaande, juist, behoorlijk, billijk. Hiervan komt het z.nw. recht: wat goed, billijk is.
Uit de bet. van sturen, richten, leiden (zie boven) komt rechten of richten, waarvan rechter en richter = de bestuurder, de leider van een rechtszitting; de schepenen daarentegen moesten het oordeel, de straf bepalen. Mogelijk is rechten, richten ook uit recht (z.n.w.) ontstaan: recht spreken, recht uitoefenen. – Bij dit rechten, richten behoort ook: gerecht, gericht = 1°. de rechtsspraak, de rechtsoefening, en 2°. de gezamenlijke rechters: gericht houden over iets; bij het gerecht aanklagen; voor het gerecht (de rechters) verschijnen.
In rechtvaardig heeft varen de algemeene bet. van gaan; rechtvaardig is dus: wat recht gaat, evenals hoovaardig: wat hoog gaat (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rechtvaardig ‘handelend naar billijkheid’ -> Deens retfærdig ‘handelend naar billijkheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors rettferdig ‘handelend naar billijkheid’; Zweeds rättfärdig ‘handelend naar billijkheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands rechtvaardig, regtveerdig ‘handelend naar billijkheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rechtvaardig* handelend naar billijkheid 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal