Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ravotten - (stoeien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ravotten ww. ‘stoeien’
Vnnl. Sy hebben ligghen ravotten ‘zij hebben uitbundig liggen vrijen’ [ca. 1550; WNT], rauotten ‘rumoerig feestvieren, kroeglopen’ [1599; Kil.]; nnl. jonge honden, die ... lopen, springen, ravotten, en dartelen [1734; WNT].
Vermoedelijk afgeleid van zn. ravot ‘braspartij, herrie, zinnelijk vermaak’ [ca. 1528; iWNT], waarvan de etymologie niet erg duidelijk is. Wellicht is het voor een deel een variant van mnl. rabat ‘opschudding, lawaai’ [1265-70; VMNW], naast rabot ‘id.’, dat mogelijk ontleend is aan het pas laat geattesteerde Oudfrans rabot ‘twist, ruzie’ [1468; Godefroy]. Misschien is ravotten voor een ander deel rechtstreeks ontleend aan se resbatre (se rébattre) (FEW battuere), een variant van s'ébattre ‘zich vermaken’ [ca. 1130; Rey], dat later ook ‘het liefdesspel spelen’ (nu verouderd) en ‘stoeien’ ging betekenen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ravotten [stoeien] {ca. 1550} van middelnederlands ravot [zondig genoegen of vermaak], nevenvorm van rabat [rumoer].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ravotten

Wanneer men bedenkt dat naast Nederlands v in andere talen dikwijls b voorkomt (geven – Duits geben, nevel – Latijn nebula enz.) is de verwantschap van ravotten met het Oudfranse zelfstandige naamwoord rabot: twist in het geheel niet vreemd. Bij rabot hoorde het werkwoord rabater: razen, tieren. Deze woorden gaan, evenals het Engelse to rave: ijlen, raaskallen, terug op het Latijnse rabies: woede, dolheid. Maar behalve voor dit begrip worden woorden van deze stam ook gebruikt voor: luidruchtig feestvieren, zinnelijke vermaken najagen. En daarmee is de huidige betekenis van ravotten: stoeien natuurlijk verwant. In het Middelnederlands is rabat: rumoer, kabaal en ravot: verzamelplaats van gespuis, bordeel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ravotten ww., reeds Kiliaen ravotten ‘lawaai schoppen; slempen’; daarnaast ravot, revot ‘zondig genoegen: bordeel’, maar ook rabat, robat, rabbot ‘rumoer, opschudding’ (vgl. ook ofra. rabaster, rabâter ‘tieren’, ofra. rabot ‘twist’), vla. ravooi o. ‘geraas, getier’ en verder zwa. ragotzen ‘uit gekheid vechten’, opper-hess. rabastern, rambastern ‘kibbelen, vechten’. — De nnl. woorden zien er wel naar uit van fra. herkomst te zijn en dan ligt ofra. rabot voor de hand. Verder zijn te noemen mnl. riveel, reveel ‘opstand, tegenstribbeling, verdriet, rumoer, strijdgewoel, zingenot’, Kiliaen ravelen, raveelen ‘in drukke beweging zijn, krankzinnig zijn’, ne. revel zwelgen, zwieren’ < ofra. soi reveler ‘zich verzetten, overmoedig zijn’ < lat. rebellare ‘in opstand komen’.

De afleiding door G. A. Nauta Ts 38, 1919, 33 uit hebr. râbatz ‘loerend liggen zoals honden, stoeien’ is niet aannemelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ravotten ww. Kil. ravotten “tumultuari. et Luxuriari, popinari”. Hierbij ’t znw. Kil. ravot, revot “troep losbandigen, bordeel”, reeds vroeger in de bet. “zondig genoegen, zinnelijk vermaak”. Met het oog op woorden als fr. rioter “kibbelen” (> mnl. riôten “kabaal maken”; ’t znw. riôte v. uit ofr. riote komt meer voor), mnl. rabat o. “rumoer, opschudding, twist” (vgl. ofr. rabaster, rabâter “tieren”; ofr. rabot “twist”; van lat. rapio?), vla. ravooi o. “geraas, getier, gedruisch”, zwa. ragotzen “uit gekheid vechten”, opperhess. ra(m)bastern “kibbelen, vechten” e.dgl. meer is ’t moeilijk de etymologie nauwkeurig vast te stellen. Wsch. moeten wij voor ravotten en ’t oude znw. ravot uitgaan van ofr. rabot “twist” en beïnvloeding door Kil. ravelen, raveelen “in drukke beweging zijn, krankzinnig zijn of handelen” (zie revelen) en mnl. riveel, reveel o. “opstand, tegenstribbeling, ellende, verdriet, rumoer, strijdgewoel, feestgewoel, zingenot” (van fr. oorsprong), eventueel nog door andere woorden aannemen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ravotten. Zovla. ravotsen. Niet aannemelijk is de afl. (Nauta Tschr. 38, 33) uit hebr. râbatz ‘loerend liggen (van honden)’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ravotten ono.w., vergel. Mnl. en Mndd. rabat = alarm, reveel = rumoer, De. rabalder, Vla. ravooi = getier, Eng. riot, It. riotta = rumoer, Ofra. rabater = tieren, rabot = twist: onderling verband en oorspr. onbek. Op rabot schijnt ravotten terug te gaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ravot: baljaar, wild speel (veral v. kinders gesê); Ndl. ravotten (by Kil ravotten, “lawaai maak”, naas rave(e)len, “in druk beweging wees; mal wees”) uit Ofr. rabot, “twis”, of uit Ofr. (soi) reveler, “jou versit, opstandig wees”, uit Lat. rebellare, “in opstand kom, rebelleer”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ravotten ‘stoeien’ -> Duits dialect ravotten ‘stoeien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ravotten stoeien 1550 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal