Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rauw - (ongekookt; hard, grof; schor)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rauw bn. ‘ongekookt; hard, grof; schor’
Mnl. roo ‘ongekookt’ [1240; Bern.], rou, raeu(w) ‘id.’ in .i. gans. rou. gheplucht an .i. spit. ‘een rauwe geplukte gans aan een spit’ [1266-68; VMNW], sijn oghen ... al rod, ghelijc alst rou vleesch ware ‘zijn ogen helemaal rood, alsof het rauw vlees was’ [1285; VMNW], ‘onbewerkt’ in raeu leder [1300-50; MNW], ‘ongevormd, grof, bevlekt’ in raeuw is mijn leven [ca. 1350; MNW], ‘hees, schor’ in heesch, rauw [1477; Teuth.]; vnnl. rauw, rouw ‘ongekookt; ongevormd’ [1599; Kil.].
Os. hrao (mnd. ); ohd. rao, (h)rō (nhd. roh); oe. hrēaw (ne. raw); on. hrár (nzw. ); < pgm. *hrawa-.
Verwant met: Latijn crūdus ‘bloederig, rauw, grof’, cruor ‘gestold bloed’; Grieks kréas (ouder kréwas) ‘vlees’; Sanskrit kravís- ‘rauw vlees’, kravya- ‘bloed’; Litouws kraũjas ‘bloed’, Lets kreve ‘gestold bloed’; Oudkerkslavisch kry, krŭvĭ ‘bloed’ (Russisch krov'); Oudiers crū ‘bloed’, crūaid ‘hardvochtig, ruw’, Welsh creu ‘bloed’; < pie. *kreuh2-, *krouh2-, *kruh2- ‘gestold bloed, rauw vlees’ (IEW 621).
Lit.: Heidermanns 1993

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rauw* [niet gekookt] {ra(e)u, ra(e)uw 1266-1268} oudsaksisch hrao, oudhoogduits (h)rao, oudengels hreaw, oudnoors hrār; buiten het germ. latijn crudus [rauw], cruor [bloed], grieks kreas [vlees], oudiers crú [bloed], litouws kruvinas [bloedig], oudkerkslavisch krŭvĭ [bloed], oudindisch kraviṣ- [rauw vlees].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rauw bnw., mnl. raeu, rau, os. hrāo, ohd. hrāo, rāo (rāwēr), oe. hræw, on. hrār > germ. *hrēwa-. Daarnaast abl. *hrawa- in mnl. , mnd. , ohd. hrō, (nhd. roh), oe. hrēaw (ne. raw). — gr. kréas ‘vlees’, oi. kravi- ‘rauw vlees’, kravyam ‘bloed’, lit. kraũjas ‘bloed’, oiers crú ‘bloed’ en ook lat. cruor ‘bloed’, osl. krŭvĭ ‘bloed’; idg. wt. *kreu (IEW 621).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rauw bnw., mnl. raeu, rau. = ohd. (h)râo (râwȇr), os. hrâo, ags. hræ̑w, on. hrâr “rauw”, germ. *χrȇwa-. Met ablaut mnl. (de meest gewone vorm) = ohd. (h) (răwȇr; nhd. roh), mnd. , ags. hrȇaw (eng. raw) “id.”, germ. *χrawa-. Voor den ablaut vgl. klauw. In veel ndl. diall. konden de beide bnww. samenvallen door de klankgelijkheid in de verbogen casus: rouwes uit *χrâwis en *χrăwis. Verwant zijn o.a.: ier. crû “bloed”, lat. cruor “gestold bloed”, gr. kréas “vleesch”, obg. krŭvĭ, lit. kraũjas “bloed”, oi. kravís-, kravya- “rauw vleesch”, krûrá- “bloederig, rauw”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rauw bijv., Mnl. rau, Os. hrâo + Ohd. (h)râo, Ags. hræ'w, On. hrár (Zw. , De. raa); daarbij met ablaut Mnl. ro, Ohd. (h) (Mhd. , Nhd. roh), Ags. hréaw, (Eng. raw) + Skr. kraviṣ, Gr. kréas = rauw vleesch, Lat. crudus = rauw, Oier. crú, Osl. krŭvĭ = bloed: Idg. wrt. kreu̯.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3rou b.nw.
1. Nie gaar nie. 2. Onbehandel, onbewerk. 3. Hees, skor. 4. Onervare, onopgelei. 5. (t.o.v. die liggaam) Sonder vel, bloederig. 6. (t.o.v. keel) Pynlik.
Uit Ndl. rauw (al Mnl. in bet. 1 - 4, 1613 in bet. 5, 1636 in bet. 6).
D. roh, Eng. raw, Sweeds .

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

rauw bn., bw., 1. ruw, ruig, grof, hard (als AN, maar daar veel minder alg. of veroud.). In de kleerkast van zijn moeder hingen van zijn vader een paar witte overhemden en ook nog een paar van zijn uitgaanspakken. Ze waren door het rauwe werk - landbouw, en kippen-en varkensbedrijf- lang niet te voorschijn gehaald en waren doortrokken van de diepe geur van cederhout* (Vianen 1972: 10). Waarschijnlijk bedoelden ze dat je als mens toch altijd met een stuk rauwe natuur zou worden gekonfronteerd (Cairo 1978b: 43). Het waren Negers*, ’maar fijne Negers’. En de harde rauwe politiek à la Machiavelli, van Johan, stiet ze tegen de borst (Dobru 1969: 15). Niemand heeft schuld; zij ging als enige niet over naar de hogere klas, hoorde dat rauw en alles stormde op Lucia af en sloeg haar het graf in (BN 120: 47; 1980). - 2. oorspronkelijk, onveranderd. Minister Sital wees er verder op dat de specialisten dagelijks gebruik maken van alle faciteiten die de ziekenhuizen bieden, inklusief het personeel, ’en de inkomsten gaan rauw in hun zakken’ (WS 6-3-1982). - 3. behorend tot de eerste generatie immigranten. Zijn vader is een rauwe Chinees.
— : rauw vet (het), vet voor keukengebruik. Je hebt twee kwaadaardige* ogen, ba*. Ik geloof, bij vrouwen ben je net als rauw vet op houtskool (Helman 1954a: 16).
— : rauwe vis (de), verse vis. Caribbean Seafoods kampt veel met problemen op het gebied van de aanvoer van rauwe vis: men is tot nu toe niet tot overeenstemming gekomen met lokale kustvissers (WS 7-5-1983). - Etym.: Vgl. AN rauw, dat t.a.v. vlees bet. kan ’niet toebereid’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rou I: nie-gaar, ongekook; ontvel, oop (bv. wond); ongebrei (bv. diervel); onopgelei (bv. leerling; speler; werker); hees (bv. stem); ru (bv. gedrag); Ndl. rauw (Mnl. ra(e)u), Hd. roh, Eng. raw; hou verb. m. Lat. cruor, “bloed”, Gr. kreas, “vleis” (vroeër misk. “rou vleis”), Lit. kraujas, “bloed”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rauw ‘niet gekookt’ -> Fries rie, rau ‘niet gekookt; hard, grof; schor’; Negerhollands roo, rau ‘niet gekookt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rauw* niet gekookt 1266-1268 [CG I1, 130]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut