Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ratelaar - (plant van het geslacht Rhinanthus)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ratelaar [plant] {1896} genoemd naar de vruchten die in de droogvliezige kelken rammelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reutel v. (plant), wegens het reutelen of ratelen harer zaden.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Ratelaar (grote), Rhinanthus angustifolius
Rhinanthus: naar de neusvormige bovenlip van de bloem kreeg het geslacht de naam Rhinanthus, samengesteld uit rhinos = neus, en het eveneens Griekse anthos = bloem, dus neusbloem.
Angustifolius: betekent ‘engbladig’, de plant heeft relatief smalle bladeren.
Grote ratelaar: de naam ratelaar heeft betrekking op de in de rijpe, verdroogde vruchtkelk zittende rijpe zaden, die wanneer men de kelk heen en weer schudt een ratelend en rammelend geluid maken.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Rhinánthus: Ratelaar
Naar de neusvormige bovenlip van de bloem kreeg het geslacht de naam Rhinánthus, samengesteld uit rhinos: neus, en het eveneens Griekse anthos: bloem, dus neusbloem.
Daar de twee meest algemeen voorkomende soorten voor een leek onderling weinig verschillen, worden de volksnamen in de regel voor beide soorten gebruikt. Deze twee zijn de Grote ratelaar (R. glaber, vroeger R. májor geheten) en de Kleine ratelaar (R. mínor). De soortnaam glaber duidt op het min of meer glad of kaal zijn van de kelk. De Kleine is uiteraard kleiner dan de Grote, maar voor een niet-kenner is dat slechts te zien, wanneer men beide soorten naast elkaar houdt. De meestvoorkomende naam is Ratelaar, en heeft betrekking op de in de rijpe, verdroogde vruchtkelk zittende, eveneens rijpe zaden, die wanneer men de kelk heen en weer schudt een ratelend en rammelend geluid maken. Daarnaast komen varianten en plaatselijke namen voor. We noemen: Ratel, Ratelen, Rattel, Rattebel, Reutels, Rinkelbellen, Roatel (er) en Rammelaar. De namen Raai en Raat zijn varianten van Ratel. De namen Kloppers op Zuid-Beveland, en Klapperhooi zijn eveneens op het geluid ingesteld. In de Overijselse Achterhoek komen namen voor als Horde, Horte, Hotte. Deze namen zijn waarschijnlijk eertijds ontstaan uit het Duitse woord hottern: schudden. Wij kennen eveneens hotten in de betekenis van schiften en stremmen van melk, waarschijnlijk met hotten en hotsen, schudden, schokken of stoten in verband staand.
Andere namen zijn meer op de bouw en vorm van de bloem gericht. Men zag er vooral vogelvormen in: Haantjes-en-Hœntjes op Schouwen, Haantjes-en-Kukelhaantjes op Texel, Vinkies in Aalsmeer, en mede naar de gele bloemkleur, op Walcheren Kanarievogeltjes. Verder nog Leeuwebekjes in Aalsmeer, hier zag men er meer de bek van dit dier in. In de Bommelerwaard spreekt of sprak men van Tessen, omdat de vruchten iets hebben van een ouderwetse tes of tas, de zogenaamde reticule. Voor Walcheren en Zuid-Beveland staat de naam Kousjes-en-schoentjes genoteerd; men zag hier in de bloem kousjes en schoentjes!
De naam Hanekam in de Achterhoek, op Schouwen en in het Utrechtse aan de Ratelaar gegeven, heeft betrekking op de gekartelde bladeren, die er als een hanekam uitzien. Dit was indertijd aanleiding om het geslacht Ratelaar de wetenschappelijke geslachtsnaam Alectorolophus te geven. Dit alectorolophus is afkomstig van de Griekse woorden alector: haan, en lophos: kam. De Kleine ratelaar die thans Rhinanthus minor genoemd wordt, heette vroeger Rhinanthus crista-gálli; deze wetenschappelijke soortnaam beduidt eveneens hanekam. In de middeleeuwen komen we reeds de naam Hanekam tegen. Dodonaeus spreekt van ‘Geele Ratelen oft Hanecammekens.’
De namen Schartel, Schartelen en Scharl zijn waarschijnlijk als een afleiding te beschouwen van schaarde en kartel, of als een vermenging van deze twee woorden, waardoor een foutief geheel ontstaan is. Dit schartel duidt op de gekartelde bladrand. Deze halfparisitaire planten hebben in de volksgeneeskunst zo goed als geen rol gespeeld.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ratelaar plant 1896 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut